De Bruder Klaus Kapel is gewijd aan de Zwitserse kluizenaar Nikolaus von der Flüe, die leefde van 1417 tot 1487. Alhoewel er voor de kapel slechts een zeer beperkt budget beschikbaar was, accepteerde architect Zumthor de opdracht voor het ontwerp. Met een eenvoudige bouwmethode werd de kapel gebouwd.
Het bouwwerk in het open bouwland lijkt wat vorm betreft het meest op een sarcofaag met een hoogte van 12 meter. De entree is een driehoekige metalen deur. De binnenzijde is heel verrassend. Het stampbetonnen bouwwerk is opgetrokken rond een bekisting van ronde dennenstammen. Nadat het beton was uitgehard, brandde men de bekisting weg. De afgietsels van de dennenstammen bleven zichtbaar.
De ruimte in de kapel is volkomen vloeiend. De doorsnede is driehoekig. Het begin is laag, maar hoe verder je doordringt hoe hoger de ruimte wordt, totdat het bovenste punt van de driehoekige doorsnede buiten de stampbetonnen massa ligt, zodat er licht naar binnen valt. In deze schaars verlichte ruimte staan een kaars en een klein bankje. Daarnaast een tafeltje met een gastenboek.
De spiritualiteit in de architectuur blijkt onder meer uit de ongewone proporties en de driehoekige deur, waarvan de vorm doorgezet wordt in de driehoekige doorsnede, die opent naar het licht. Ook blijkt ze uit de lichte kromming in de ruimte, waardoor het een route vormt van donker naar licht. Ten slotte geven de tientallen glazen lichtpunten op de holle afstandhouders van de verloren bekisting het effect van een sterrenhemel.
Ongelukkige woordkeus
Het blad Mark, tijdschrift voor „een andere architectuur”, heeft in het jongste nummer aandacht besteed aan het werk van Zumthor. Uit het artikel blijkt dat de bisschoppelijke opdrachtgever van het Kolumba Museum -vergelijkbaar met het Catharijne Convent in Utrecht- de aandacht van de kunstwereld trok. Bij de openingsrede van het museum zei de Keulse aartsbisschop, Joachim Meisner, dat kunst die te veel is afgesneden van de godsdienst „ontaardt.”
De ongelukkige keuze voor het woord ”ontaarden” doet denken aan de kunstvisie van het nazisme, waarin kunst die de nazi’s niet beviel, werd vernietigd. Meisner bedoelde echter dat kunst die God niet verheerlijkt „ontaardt.”
De ongelukkige woordkeuze van de aartsbisschop leidde tot wantrouwen in de kunstwereld, niet alleen in de richting van de bisschop, maar ook tegenover Zumthor, die voor het kerkelijk instituut wilde werken. Hierdoor lijkt architect Zumthor verstrikt geraakt in de suggestie dat zijn architectuur gebruikt wordt als spreekbuis van een kerkelijk instituut.
Kloosterachtig
Lukt het architect Zumthor deze kritiek te weerleggen in zijn aartsbisschoppelijk kunstmuseum in de binnenstad van Keulen? Het gebouw is zeer sober vormgegeven. Binnen wordt de kloosterachtige pure vormgeving doorgezet. In kleine intiemere ruimten, zoals de bibliotheek en de garderobe, is gebruikgemaakt van fineer als wandbekleding. Het patroon van de houtnerf is zeer duidelijk te zien en doet je verbaasd staan over de schoonheid van de kunst van de Schepper.
De tentoonstellingsruimten zijn afgewerkt met een gepolijste betonnen vloer en lichtgrijze gestuukte wanden. Alles wat afleidt, is weggewerkt. De betonnen vloer lijkt te zweven tussen de wanden, omdat er in plaats van een plint een nauwe spleet tussen vloer en wand overgelaten is. De ramen zijn verdiepingshoog en kijken uit over de stad Keulen. Alles straalt rust en concentratie uit, als in een klooster. Dit is zo ver doorgevoerd dat zelfs de titelbordjes bij de verschillende kunstwerken zijn weggelaten. In plaats daarvan krijgen bezoekers een boekje mee waaruit ze zelf moeten afleiden over welk kunstwerk geschreven wordt. Dit is weinig publieksvriendelijk. Het streven naar puurheid in de architectuur was kennelijk belangrijker dan de uitleg van de getoonde kunstwerken. Hiermee heeft de architect de collectie geen dienst bewezen. Sterker nog, het geeft wellicht antwoord op de vraag of Zumthor met dit gebouw het hogere, het hogere in de kunst of het hogere in zijn eigen creatie heeft willen dienen.