„Niet naar binnen kijken”, waarschuwt gids Otto van Soldt vooraf. Via de stichting ’t Gilde Den Haag leidt hij hofjeswandelingen. Hij wil best een huis uit het hofje vanbinnen laten zien, maar daarvoor moet je worden uitgenodigd, legt hij uit. Soms gebeurt dat en vraagt de binnenmoeder -oftewel de vrouw die allerlei touwtjes in handen heeft in zo’n hofje- de bezoekers in haar huis, of leidt ze hen rond in een leegstaand pand.
Elke stad die hofjes heeft, laat ze zien via stadwandelingen. Hofjes zijn interessant, ze zijn historisch, ze hebben verhalen. Ze zijn rustgevend. Te midden van voortjagend verkeer en winkelend publiek schuilen ze weg achter muren van andere gebouwen, ze keren de herrie de rug toe en koesteren gras, buxus, bloesem en rozenstruiken.
Hofdames
Hofjes zijn typisch Nederlands, zegt gids Van Soldt. België heeft ze ook wel, maar lang niet zo veel als Nederland. In Brabant en Limburg liggen nauwelijks hofjes; de meeste zijn te vinden in Noord- en Zuid-Holland - in Amsterdam, Alkmaar, Haarlem, Hoorn, Leiden en Den Haag. Ook Groningen heeft ze.
Van Soldt doorkruist de binnenstad, richting de hofjes, en kan het niet laten andere monumenten en gebouwen onder de aandacht te brengen. Hij wijst op het oude stadhuis, de Grote of Sint-Jacobskerk -met een ooievaar op de toren, in plaats van een haan- en de evangelisch lutherse kerk, met een zwaan erop.
De zwaan is een bekend symbool voor luthersen in Nederland. In 1415 zou Johannes Hus, die als ketter werd verbrand, op de brandstapel hebben gezegd: „Gij braadt heden een gans, maar over honderd jaar komt er een zwaan, die u niet zult braden en die mijn werk zal voortzetten.” Met gans bedoelde hij zichzelf -”husa” is Tsjechisch voor gans-; de zwaan werd later in verband gebracht met Luther.
De tocht met Van Soldt voert langs liefdadigheidshofjes, die ongeveer vanaf het midden van de veertiende eeuw werden gebouwd voor „oude arme, of scamele lieden” (Botine Koopmans in ”De Verborgen Stad. 115 hofjes in Den Haag”). Daarnaast bestaan er exploitatiehofjes, die vooral in de tweede helft van de 19e eeuw werden gebouwd uit winstbejag en waar grote groepen arbeiders kwamen wonen, en de sociale woningbouwhoven, gebouwd door de gemeente.
De stichters van liefdadigheidshofjes wilden graag minderbedeelden helpen - én aanzien verwerven, via hun naam op de gevel bijvoorbeeld. Zo bleef de naam van Cornelia van Wouw tot op de dag van vandaag verbonden aan het Hofje van Wouw, gebouwd in 1647, bedoeld voor „alleenstaande minvermogende vrouwen van protestants-christelijken huize.” Boven de ingang aan de Lange Beestenmarkt is een zwaan afgebeeld; deze keer verwijst hij niet naar Luther maar naar het wapen van Van Wouw. De deur blijft dicht, tenzij er een groep van minimaal tien personen komt die wil betalen voor een kijkje.
Het hofje ernaast, van Floris van Dam, is gastvrijer. Vraag een gids van ’t Gilde naar de geschiedenis achter de diverse jaartallen op de muren en hij weet ze. In de poort hangt een briefje. „Hofdames en heren, met zijn allen moeten we ervoor zorgen dat dinsdagochtend voor acht uur de vier groene bakken buiten staan. Agnes.”
Potje boter
„Let op die handgebakken steentjes”, zegt de gids in het Heilige Geesthofje aan de Paviljoensgracht, en hij wijst naar de grond. Het hofje uit 1616 is genoemd naar de Heilige Geestmeesters van de Grote of Sint-Jacobskerk die, behalve kerkelijke taken, de zorg voor de armen hadden. In dit hofje waren zowel mannen als vrouwen welkom, maar al snel werd het een hofje voor oude vrouwen.
„Elk hofje had bepaalde regels”, vertelt Van Soldt. „Als hier iemand was overleden, kregen de anderen allemaal een pond boter, een half wittebrood en een kannetje wijn.” Verder kregen de bewoners hemden, schoenen, turf, brood en wijn, en elke week 26 stuivers.
Naar dit gebruik -”preuven” genoemd- verwijst de schrijver Hildebrand in zijn boek ”Camera Obscura”, dat voor het eerst verscheen in 1839. „Wij traden het huisje van juffrouw Noiret binnen. Door een klein portaaltje, met platte roode steenen geplaveid, kwamen wij in het eenige vertrek, dat hare woning, en die van een lange reeks van oude vrouwtjes vóór haar, had uitgemaakt. (…) In een hoek van het vertrek stond de ladder, waarmee men naar het zoldertje opklom, waarop de bedeeling turf en hout gestapeld was, die des winters aan de hofjesvrouwtjes werd uitgereikt en, benevens eene wekelijksche uitdeeling van aardappelen en een potje boter, dit hofje tot het voordeeligste maakte van de vele hofjes waarop de stad zich beroemde.”
Dus Hildebrand heeft wel een huis in een hofje vanbinnen gezien. Of hij heeft naar binnen gekeken.
Meer informatie: 070-3561281 en www.gildedenhaag.nl.
Boeken en pannen
Vlak bij de nederige hofjes in Den Haag bevinden zich luxe winkels. Zoals een boekhandel waar de klant tussen zuilen en onder bogen doorloopt, en een kookwinkel met koperen pannen.
Winkelgalerij De Passage
„Loop de Passage in en waan je even in Parijs”, schrijft journaliste Tal Maes in ”100% Den Haag”, een 92 pagina’s tellend boekje over bezienswaardigheden in de Hofstad. Winkelgalerij De Passage ligt in hartje Den Haag, tussen de Spuistraat, de Hofweg en het Buitenhof. www.depassage.nl.
Boekhandel Selexyz Verwijs
Een van de mooie zaken daar is boekhandel Selexyz Verwijs (nummer 39), met drie verdiepingen, heel veel boeken (meer dan 50.000 titels) en de mogelijkheid om koffie te drinken en een broodje te eten (op de eerste verdieping, bij Bagels & Beans). En een boek over Haagse hofjes? „De trap op en dan rechts”, zegt de jongen achter de balie. www.verwijs.nl.
DOK Cookware
Een andere opmerkelijke winkel in De Passage is DOK Cookware (nummer 19). Kookfans kunnen hier kiezen uit een groot assortiment potten, pannen en bestek. Op een kookeiland, midden in de zaak, wordt dagelijks wat eetbaars klaargemaakt. Aan de muur hangen koperen pannen van het merk Mauviel. Op de grond staan Borettifornuizen en -barbecues. www.dokcookware.com.
Voor vulpenfans
Boekhandel selexyz verwijs, grossier in gedrukte letters, heeft een bijna-buurman die inspireert om letters op papier te gaan zetten: vulpenspeciaalzaak P. W. Akkerman.
De vulpenwinkel zit op nummer 15. Merken als Lamy, Parker, Waterman en MontBlanc liggen gebroederlijk naast elkaar te stralen achter glas, net als Namiki, Hero en Delta. Voor elk van die pennen -koel staal of warm rood, slank of stevig, effen of gebloemd- is er inkt in tientallen tinten.
De vulpenspeciaalzaak blijft hardnekkig en met succes overeind in een digitaal tijdperk. Liefhebbers houden het meestal niet bij één pen, weet verkoper Paul Rutte. „Ze wisselen hun vulpennen af. Met de ene tekenen ze, met de andere schrijven ze. Het is net zoiets als met brillen, daarvan hebben mensen er ook vaak meer.”
Toen P. W. Akkerman, de grootvader van de huidige eigenaar, de zaak in 1910 oprichtte, zag het assortiment er minder kleurrijk uit. Het waren veelal varianten van hetzelfde: eenvoudige pennen -vaak in zwart of rood-zwart- die met een pipet werden gevuld. „De balpen kwam pas na de jaren ’50”, aldus Rutte. „Vulpennen van toen waren de Bics van nu.”
Over de toekomst is hij positief. „Schrijven houdt nooit op. Op lagere scholen wordt gekozen voor vulpennen omdat er meer controle mee is uit te oefenen. Schrijven met een vulpen betekent letterlijk vormgeven: je zet de letters bewuster op papier.”
Maar de Montblanc Marlene Dietrich LE 1901 van 3400 euro zal niet opduiken op basisscholen. Om maar te zwijgen van de Bohème je t’aime, ook van Montblanc, een witgouden vulpen met een robijnen hartje aan de clip. Het is dat liefde niet te koop is, anders zou dat moeten lukken met deze pen.
Meer informatie: 070-3462264 en www.vulpennen.nl.