Om het gebruik omlaag te brengen, is toepassing van de middelen in het voer –als zogeheten groeibevorderaar– een aantal jaar geleden verboden. „Het effect is echter geweest dat het therapeutisch gebruik bijna exponentieel is toegenomen”, aldus Mevius. „Kennelijk is onze veehouderij zo ingericht dat deze antibiotica nodig heeft om kosteneffectief te produceren.”
Om resistentie –ongevoeligheid voor het geneesmiddel– binnen de perken te houden, zouden ze alleen ingezet moeten worden ter behandeling van ziekte.
Op dit moment geven veehouders antibiotica vaak aan een hele groep tegelijk; wanneer een klein aantal dieren besmet is of als ze alleen maar het risico lopen ziek te worden. „Dit betekent dat het merendeels aan gezonde dieren worden toegediend. Dit is niet alleen in Nederland de praktijk, overal in de intensieve veehouderij werkt dat zo.”
Verder spelen ook hygiënemaatregelen een belangrijke rol in de verspreiding van ziekten. Met veel dieren in een kleine ruimte kunnen bacteriën en virussen zich razendsnel vermenigvuldigen en verspreiden, merkt Mevius op. „Restrictief antibioticagebruik en infectiecontrolemaatregelen vormen eigenlijk de basis van het succes van het Nederlandse beleid in de gezondheidszorg. Daardoor hebben we in de Nederlandse ziekenhuizen nog geen groot resistentieprobleem.”
De huidige veehouderijpraktijk bevordert echter het ontstaan van antibiotica-ongevoelige bacteriën. Gevreesd wordt dat er op een gegeven moment een variant opduikt die met geen enkel middel bestreden kan worden. „Dit is zegmaar een kweekvijver voor multiresistente organismen waar de mens mee in contact kan komen.”
Dat dit een reëel gevaar is, maakte in 2006 de ontdekking van uit varkens afkomstige multiresistente Staphylococcus aureus (MRSA) bij mensen duidelijk. „We weten nu dat veel varkens en kalveren drager zijn van MRSA. Beroepsgroepen die veel met de dieren in contact zijn, hebben een verhoogd risico op dragerschap”, aldus Mevius.
Het politieke beleid richt zich er daarom de laatste jaren op „om de stijgende trend in het antibioticagebruik te keren”, aldus ir. A. M. Burger, directeur-generaal van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). „Het beleid is fors ingezet.”
Vorig jaar tekende minister Verburg (LNV) een convenant met afspraken voor het gebruik van antibiotica in de varkens-, vleeskuikens- en rundveesector. „Dit pakket van maatregelen moet leiden tot een duurzame, robuuste veehouderij die minimaal gebruik maakt van antibiotica”, stelt Burger. Verder zette LNV dit jaar een viertal onderzoeksprojecten in gang om alternatieven voor antibiotica te zoeken. Het trekt daar 3 miljoen euro voor uit (zie kader).
Een woord dat in de hele discussie rond antibioticagebruik al snel valt is kosteneffectiviteit. „Antibiotica zijn goedkoop en er is eigenlijk geen controle op”, zegt Mevius. „De sector is wel degelijk bezig met maatregelen om tot een verbetering van de situatie te komen. Alleen zitten ze ook met een economische druk. We hebben een geliberaliseerde maatschappij, ook in de veehouderij. Dat zorgt ervoor dat het niet zo snel gaat als we zouden willen.”
Afgelopen vijf jaar geen druppel gebruikt
De koeien van Jan Dirk en Irene van de Voort kregen de afgelopen vijf jaar geen druppel antibiotica meer. „De dieren zijn gezond en kunnen goed zonder. Dat dit nog bestaat, daar ben ik dankbaar voor.”
Gangbaar is de werkwijze van familie Van de Voort in ieder geval niet. „We kennen drie collega’s die geen antibiotica gebruiken.” In totaal zijn het er in Nederland misschien tien, denkt Irene van de Voort. „Je moet het aandurven.”
De overgang van ‘gewoon’ biologisch naar antibioticavrij ging op ”de Groote Voort” niet zonder slag of stoot. „Het eerste halfjaar hadden we relatief veel extra uitval. De koeien moesten het opeens zonder antibiotica stellen, terwijl ze nog geen weerstand hadden opgebouwd. Die periode moet je doorheen; de koeien moeten gezond worden.”
Het rantsoen van de dieren en huisvesting zijn van cruciaal belang voor deze manier van werken. „Ook melken wij gemiddeld minder uit een koe omdat maximale productie ten koste gaat van de gezondheid”, merkt Van de Voort op.
De runderen op ”de Groote Voort” in Lunteren eten vers, niet bewerkt voedsel. Naast gras eten ze granen en korrelmais als krachtvoer. „Die worden vers geplet, zodat de enzymen erin behouden blijven.” Dit in tegenstelling tot krachtvoer in brokvorm dat verhit wordt en daarmee zijn enzymactiviteit verliest.
Tot op heden voerde Van der Voort in het najaar bij met snijmais – mais die met stengel en al een jaar lang ligt ingekuild. „Dit jaar voor het laatst.” Snijmais wordt niet in de pens van de koe verteerd, maar in de darmen. „Dat belast de darmen en tast het immuunsysteem aan. In november en december ontwikkelen dan een aantal koeien een lichte uierontsteking doordat de weerstand wegzakt.” De aandoening behandelt ze met mintzalf of met homeopathische middelen.
Een alternatief voor snijmais vond Van der Voort in Triticale, een graan dat is ontstaan door kruising van tarwe (Triticum) en rogge (Secale). Dat krijgen de koeien volgend najaar.
Naast de voeding, is ook de huisvesting belangrijk. „Hiervoor geldt: licht, lucht en ruimte.” De koeienstal laat zich het best omschrijven als een dak op palen. De bodem is bedekt met stro. „Je moet letten op de signalen die een koe afgeeft: wat wil ze?”
De hele manier van werken is niet de goedkoopste, merkt Van de Voort ten slotte op. „Die vraagt om antibiotica.” De kostprijs op hun boerderij ligt zo rond 60 cent per liter, schat ze; het dubbele van wat een melkveehouder nu gemiddeld per liter krijgt.
Op ”de Groote Voort” wordt alle melk echter verkaasd en vermarkt onder het eigen merk ”Remeker”. Een deel van de productie gaat naar het buitenland – Duitsland, Engeland. In Nederland zijn natuurvoedingswinkels belangrijke afnemers. „Met de meerprijs van de kaas kunnen we antibioticavrij werken.”
Vooral preventieve maatregelen
In de varkenshouderij zijn er eigenlijk geen goede alternatieven beschikbaar voor antibiotica, stelt Henk de Lange. Hij probeert op zijn bedrijf daarom zo veel mogelijk te voorkomen dat dieren ziek worden.
Om een laag antibioticagebruik te krijgen, is het belangrijk dat de dieren zich prettig voelen, meent De Lange. Daar besteedde hij dan ook bijzondere aandacht aan bij de inrichting van zijn stal in Dedemsvaart. „Veel ruimte, buitenlucht en stro of zaagsel op de grond, want een varken heeft graag iets om op te kauwen.” Verder houdt hij ‘families’ zo veel mogelijk bij elkaar om de stress te voorkomen. „Het mengen van groepen geeft gevechten. Dan moeten ze een nieuwe interne rangorde creëren.”
Om de kans op besmetting van buitenaf te verkleinen, heersten er strikte hygiënemaatregelen op het bedrijf. „Mens en transport zijn de grootste risicofactoren.” Wie niets bij de varkens te zoeken heeft, krijgt ze dan ook niet te zien. Moet iemand echt naar de varkens komen kijken, dan hanteert hij de regel dat die persoon minstens drie dagen niet op een ander varkensbedrijf moet zijn geweest. De norm schrijft twee dagen voor. „Velen vinden dat overdreven.”
Om het risico op overdracht van ziektekiemen tussen de verschillende stallen te verkleinen, draagt het personeel in elke unit een andere overall en wordt gereedschap niet uitgewisseld.
In plaats van antibiotica te gebruiken, vaccineert De Lange zijn varkens liever preventief. „Dat vind ik natuurlijker.” Met veel varkensbedrijven in de directe omgeving en transporten die langsrijden, is het risico dat er iets overwaait niet te verwaarlozen, heeft hij in het verleden wel gemerkt.
Een van de aandoening waartegen hij ent is de vlekziekte, veroorzaakt door een bacteriële infectie. „Die is moeilijk te voorkomen.” Verder heeft hij de indruk dat de varkens minder hoesten sinds hij vaccineert tegen mycoplasma, wat longproblemen geeft.
Een tweetal virale problemen waartegen De Lange inent zijn griep en het zogeheten Porcine Reproductive and Respiratory Syndrome (PRRS). „Dat laatste is een vrij algemeen voorkomende ziekte die zo’n tien jaar geleden is ontstaan en wereldwijd veel schade heeft aangericht. Sinds we een uitbraak hebben gehad, vaccineren we ertegen.”
Tegen wormen gebruikt De Lange wel regelmatig antibiotica. „Die krijg je niet weg. Je moet er daarom voor zorgen dat je het in de hand houdt.” Eens in de vijf weken krijgen de dieren een kuur. Om de kans op resistentie te verkleinen, wisselt hij regelmatig van middel.
In geval van ziekte is een varkenshouder eigenlijk altijd aangewezen op antibiotica, stelt De Lange. „Er zijn wel wat alternatieven op de markt, maar het is niet duidelijk of ze werken. Wij gebruiken ze daarom niet.”
Is een dier ziek en is de toestand na een paar dagen niet verbeterd, dan probeert hij niet verschillende antibiotica uit, maar hanteert hij een actiever euthanasiebeleid dan gebruikelijk. „Om te voorkomen dat hij een bron van besmetting wordt voor de rest.”
Zoektocht naar alternatieven
Het ministerie van LNV zette dit jaar, in samenwerking met het consortium Immuno Valley, vier onderzoeksprojecten in gang die alternatieven voor antibiotica in de veehouderij moeten opleveren. Eind 2010 moet duidelijk zijn welke middelen in de praktijk kans van slagen hebben.
De bacterie Streptococcus suis komt wereldwijd voor onder varkens, met ziekte en soms de dood als gevolg. De onderzoekslijn Resuplys moet duidelijk maken of S. suis bestreden kan worden met fagen –virussen die bacteriën besmetten en doden– of met lysines, enzymen die fagen gebruiken om de bacteriewand te doorboren. Een voordeel van fagen ten opzichte van antibiotica is dat ze zeer specifiek zijn; ze ‘passen’ op één soort bacterie. Een nadeel is echter dat er resistentie kan ontstaan door aanpassing van de bacterie. Het feit dat fagen meeveranderen maakt het vinden van nieuwe effectieve varianten weer vele malen makkelijker dan het ontwikkelen van een nieuw bacteriespecifiek antibioticum. Lysines doden de bacterie vrijwel onmiddellijk, zodat het probleem van resistentie niet speelt, zo blijkt uit eerdere studies. Fagen en lysines zijn al succesvol ingezet tegen menselijke bacteriën, zoals Campylobacter en Listeria die voedselvergiftiging veroorzaken.
Door groeiende resistentie komt het einde aan de mogelijkheden tegen Staphylococcus aureus (MRSA) snel in zicht. De bacterie veroorzaakt bij koeien ernstige uierontsteking (mastitis). Alle vaccins die de afgelopen decennia zijn ontwikkeld, blijken echter nauwelijks effectief doordat de bacterie zogenaamde ”Evasion Molecules” aanmaakt. Deze kleine eiwitten blijken alle stappen van de afweerreactie van het dier plat te leggen. De onderzoekslijn EVAC zoekt naar antilichamen die de Evasion Molecules van Staphylococcus aureus uitschakelen, zodat de bestaande vaccins tegen mastitis werkzaam gemaakt kunnen worden. Zo moet duidelijk worden welke van de ongeveer vijftig Evasion Molecules het meest belemmerend zijn voor een goede werking van vaccins.
Ziektekiemen in het darmkanaal van kippen kosten de pluimveesector jaarlijks miljarden euro’s. Coccidiosis, veroorzaakt door eencellige parasieten, verstoort de voedselopname, geeft groeistoornissen en verhoogt de sterfte, terwijl E. colibacteriën in de darmen het vlees oneetbaar maken. Beide ziekteverwekkers vertonen een groeiende resistentie tegen antibiotica. Het project Modiphy zoekt naar alternatieven voor antibioticagebruik bij pluimvee binnen de fytotherapie, de behandeling met planten en plantaardige stoffen. Een mogelijkheid is bijvoorbeeld carvacrol, een etherische olie uit kruiden als oregano, rozemarijn en tijm die een antimicrobiële werking blijkt te hebben, vergelijkbaar met die van lichaamseigen stresseiwitten die het immuunsysteem aanzetten tot actie tegen indringers. Dergelijke plantaardige stoffen kunnen mogelijk een rol spelen bij de bestrijding van Coccidiosis en E. coli doordat ze de binnendringende ziektekiemen verzwakken en tegelijkertijd het immuunsysteem activeren en versterken.
Binnen het ASIA-onderzoek wordt gekeken naar kleine eiwitten die deel uitmaken van het immuunsysteem, zogeheten Host Defence Peptides (HDP’s). De peptiden –15 tot 50 aminozuren lang– kunnen enerzijds schadelijke micro-organismen direct doden, anderzijds versterken ze de cellulaire afweer van het lichaam. HDP’s bieden bescherming tegen verschillende bacteriën, schimmels, protozoa en sommige virussen. Anders dan reguliere antibiotica kunnen HDP’s op meerdere wijzen bacteriën onschadelijk maken, variërend van celwanddoorboring tot het ontregelen van de stofwisseling. Doel van het onderzoek is om het inzicht in de werking van deze peptiden in kippen en varkens te vergroten, zodat ze ingezet kunnen worden ter voorkoming of behandeling van infectieziekten. De wetenschappers hopen kleine peptiden met bacteriedodende eigenschappen te selecteren die een kosteneffectief alternatief bieden voor antibiotica.