De paleontoloog Louis Agassiz vond in 1836 een fossiele kwastvinnige vis van naar schatting 300 miljoen jaar oud, die hij Coelacanthus granulatus noemde. Evolutiebiologen reageerden opgetogen. Ze meenden in het fossiel restanten van pootjes te zien.
En dat was belangrijk, want bij andere kwastvinnige vissen was er geen spoor van pootjes te bekennen. Het verhaal gaat dat ze daarmee aan land konden kruipen. Met hun goed doorbloede keelhuid zouden ze zuurstof uit de lucht opnemen, zodat ze een poos op het droge konden rondhobbelen.
Na miljoenen jaren kregen deze vissen nakomelingen met pootjes, vertelt het evolutieverhaal. Daaruit ontstonden op den duur reptielen, de eerste landdieren. Uit DNA-onderzoek zou blijken dat kwastvinnige vissen en landdieren familie van elkaar zouden zijn.
De coelacant, die 70 miljoen jaar geleden zou zijn uitgestorven, werd een gevierde tussenvorm. Tot in december 1938 in Zuid-Afrika. Vissers haalden bij de monding van de Chalumna, een onbekende vis omhoog. Bij nader onderzoek bleek het een coelacant te zijn.
Het dier had vinnen –geen pootjes– en had ook geen enkele neiging om aan land te kruipen. Na al die miljoenen jaren is de coelacant nauwelijk veranderd, concludeert de evolutionist dr. John Long. Wel zijn wereldwijd enkele ondersoorten onderscheiden, maar ook dat zijn gewone coelacanten, zonder pootjes.
Dit is het 21e deel in een serie over schepping en evolutie.