De meeste leraren staan geheel achter de identiteit van hun school. Maar als een ander deel van de leraren aangeeft „grotendeels” achter de identiteit te staan, hoe moet je dat dan interpreteren? Mag je zeggen: „Ze geven er een 7 of 7,5 voor, dat is een ruime voldoende”? Of moet je er juist bezorgd over zijn, want halfslachtigheid is nog wel eens het begin van opschuiving?
Maar onder de groep die het „grotendeels” eens is met de identiteit zitten er waarschijnlijk ook heel wat die vinden dat veel collega’s te veel opschuiven. Als dat zo is, dan moet je weer heel anders tegen dit gegeven aankijken.
Kortom: over het gehalte aan (welke?) waarheid zou een hele beschouwing te geven zijn. Dat is uiteraard mijn taak (nu) niet. En ook is natuurlijk waar dat uit het geheel van zo’n onderzoek toch wel een bepaald beeld naar je toe komt. Maar toch: voorzichtigheid in het oordelen is wel Bijbelse opdracht.
Of de uitslag mij heeft verrast? Nee, wij leven met onze jongeren in deze werkelijkheid. Dat moeten we vooral eerlijk beseffen. Zijn er bepaalde uitspraken van docenten en conclusies die ik er graag zou willen uitlichten? Ja, heel wat. Sommige waar je van schrikt, andere om van harte te onderstrepen.
„Van de leerlingen vindt 90 procent dat hij op school voldoende principiële vorming ontvangt.”
„Van de leerlingen is 91 procent van mening dat de docenten voluit achter de identiteit van de school staan. Dat een aantal docenten laat merken niet achter de schoolregels te staan, wordt door leerlingen vaak niet gewaardeerd.”
„Er treedt een geloofsbeleving op die de oprichters van onze scholen vreemd was. De noodzaak van wedergeboorte maakt plaats voor de vanzelfsprekendheid van geloofsbeleving.”
„Je ziet een enorme verschuiving in onze gezindte en dat merken we in onze scholen.”
„De vanzelfsprekendheden van dertig jaar geleden zijn niet meer voor ieder hetzelfde. Anderzijds: als je de leerlingen mag voorhouden hoe een mens door God tot God bekeerd wordt, dan heb je aandacht. Ze vragen om duidelijkheid. Dat is een goede zaak.”
Of ik adviezen heb? Om te beginnen zou ik dan graag nog enkele uitspraken aanhalen.
„De gesprekken voor de identiteitsraad mogen vooral niet weggelaten worden. Het is niet alleen noodzakelijk, maar ook een opscherping voor de toekomstige medewerker: het besef dat je een hele verantwoordelijkheid hebt in leer en leven.”
„Ik ben meer de waarde van en de noodzaak van verworteling in de gereformeerde belijdenis gaan inzien, juist doordat ik die steeds meer zie wegvallen.”
„We hebben als docent een grotere taak om het credo ”wel van de wereld, maar niet in de wereld” in te slijpen.”
Hierbij wil ik nog enkele opmerkingen plaatsen. Laten leidinggevenden zorgen dat de zaak van de identiteit voortdurend de nodige en rustige aandacht blijft houden.
Laten werkers die opschuiven in opvattingen, eerlijk zijn. Het is niet zuiver anderen mee te willen nemen in eigen verandering. Zeker niet in een setting waarin men kinderen van een ander mede opvoedt. Als het hier gaat wringen, dient men te gaan solliciteren.
De Bijbelse waarheid (we leven in eeuwigheidslicht) en (fatsoens)normen moeten onze hartelijke aandacht hebben. Van ouders, leraren en jongeren.
Moge er gebed zijn voor onze scholen, de werkers en de leerlingen. Want ’s Heeren zegen en hoede zijn werkelijk onmisbaar.”