Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Verstrikt in de vrijheid

 De oudere broer van Amsal, Silas (met fluitje op de borst), is in Bari achtergebleven en heeft na de dood van hun vader de zorg voor het gezin op zich genomen. Foto RD, Henk Visscher
 1 van 2  

De oudere broer van Amsal, Silas (met fluitje op de borst), is in Bari achtergebleven en heeft na de dood van hun vader de zorg voor het gezin op zich genomen. Foto RD, Henk Visscher

Een kind van 13 in zijn eentje naar Amsterdam sturen om er naar school te gaan en te wonen. Een onverantwoord idee en te zot voor woorden. In West-Papoea wonen echter honderden scholieren zonder hun ouders in de stad. Geestelijk is dat voor deze christenjongeren een ramp, want velen raken verstrikt in de lonkende vrijheid van de wereld.
Als een gier die rondjes draait boven een karkas, zo moet ons vliegtuigje er die ochtend vanaf de grond hebben uitgezien. Piloot Mike Brown tuurde vier cirkels lang naar beneden, met zijn neus tegen het glas, speurend naar een gat in het wolkendek, maar uiteindelijk was de conclusie onvermijdelijk: we gaan terug want er is geen doorkomen aan.

We waren ervoor gewaarschuwd: uitzonderlijk zwaar weer teisterde ’s ochtends het centrale bergland van West-Papoea, juist op het moment dat wij naar Bari wilden. Maar fikse regenbuien en laaghangende bewolking vormen niet het type weer om in een MAF-toestelletje tussen bergwanden te hangen. En al helemaal niet om aan te vliegen op de landingsstrip bij het dorpje Bari. Daarom: terug naar de strip bij de zendingspost van Nipsan. Die ligt een stuk hoger, en dat scheelt een paar wolkenmassa’s.

De volgende dag proberen we opnieuw in Bari te komen, dit keer met succes. Dat dit dorp lager ligt dan Nipsan is aan de tropische hitte goed te merken. En aan de groene weelde rondom. Vanuit het regenwoud klinkt af en toe het onbehouwen gekrijs van papegaaien en we zien zelfs witte kaketoes rondvliegen. Maar wat een verlatenheid. Net als in Nipsan verloopt ook hier het enige contact met de buitenwereld via de landingsstrip. Wie Bari over land wil bereiken, zal zich door honderden kilometers oerwoud moeten worstelen.

Het grote isolement waarin de Papoea’s van Bari leven vertaalt zich in een primitief bestaan. Het licht gaat er uit zodra de zon achter de bomen zakt; alleen een houtvuurtje kan dat moment wat uitstellen. Schoon water -die andere toetssteen der beschaving- wordt exclusief geleverd door verzadigde wolkenmassa’s. Ze komen gelukkig met grote regelmaat voorbijdrijven. Leven betekent hier voor jong en oud balanceren op het smalle pad dat de natuur hun gunt. Het is een bestaan waarin aan iedere zekerheid altijd de onzekerheid knaagt.

Angsten
Misschien is de grootste bedreiging er een van onzichtbare, geestelijke aard. Want de kerk mag er dan een fraai gebouwtje hebben staan, de oude adat, met zijn primitieve voorstellingen en angsten, geeft zich niet zomaar gewonnen. Dat er in dit gebied vrouwen rondlopen die van een afstand je aderen leeg kunnen zuigen of van ver je hart eruit kunnen snijden, wordt hier ook door menig christen nog heel serieus genomen.

Intussen is er voor de zeventig zielen van het huttendorp Bari geen ontkomen aan. Hun leven is er een dat gaat van hand naar mond, en concreet betekent dat een dagelijkse tocht naar de groentetuinen, enkele kilometers verderop in het bos. ’s Ochtends ernaartoe en aan het eind van de middag terug in omgekeerde richting, de draagnetten gevuld met brandhout en de hap voor die dag: zoete aardappel, kool, sago (waarvan een soort eetbaar behangplaksel wordt gemaakt) en, wie weet, een varken.

Wat een contrast met andere delen van West-Papoea, de kustgebieden bijvoorbeeld. Wanneer in Bari om zeven uur de sterren en miljoenen tsjirpende krekels de nachtelijke regie overnemen en de mensen zich terugtrekken in hun hutten, komt in de kuststad Jayapura het uitgaansleven op gang en draait de McDonald’s er op volle toeren. In Wamena, in de Baliemvallei, verrijst een imposant winkelcomplex en worden islamitische immigranten rijk in de bouw of de commercie. Zullen christen-Papoea’s uit het binnenland ooit een kans krijgen om als volwaardige burgers in die welvaart te delen? Worden de christelijke gemeenten in het binnenland straks als primitieve clubjes opzijgeschoven door gehaaide zakenlieden en bestuurders? Lieden die ook nog eens vrij spel hebben om de ene na de andere moskee te financieren?

Gelukkig maar dat ook de gemeente van de Gereja Jemaat Protestan di Indonesia (GJPI) in dit gebied niet stilzit. De kerk, die in de jaren zestig is voortgekomen uit het zendingswerk van de Gereformeerde Gemeente, organiseert alfabetiseringscursussen voor gemeenteleden in het binnenland. Coördinatrice is Alinda Paul, die vanaf haar standplaats Nipsan de GJPI bijstaat. Ze vertelt dat 24 dorpen in de omgeving van Nipsan meedoen, en daarvan is Bari er één. Sinds 2000 bestaan er ook in dit dorp schrijf- en leesklasjes voor kinderen en volwassenen.

Van de ongeveer zeventig zielen die het dorpje telt, zijn er maar liefst twintig die de dagelijkse lessen hebben gevolgd, of die dat nog doen. Het is echter behoorlijk improviseren want voor een eigen schoolgebouwtje is geen geld, en voor een heuse leerkracht evenmin. Yonam Kosai, die in Bari als evangelist is gestationeerd, heeft daarom de taak van onderwijzer op zich genomen. Iedere ochtend wanneer er ’school’ is, fungeren de kerkzaal en het consistoriezaaltje noodgedwongen als lokalen.

Hoe belangrijk dit onderwijs is, daarover kan Silas meepraten. In de ouderlijke hut, waar hij de vaderrol vervult na het overlijden van hun vader, vertelt Silas over zijn broer Amsal (18). Die zit samen met zijn dorps- en leeftijdgenoot Samuel op de mavo in Wamena, een stadje dat op een paar dagen lopen van Bari ligt. Zonder het reken- en schrijfklasje in zijn dorp waren de twee jongens nooit zover gekomen; dan hadden ze nu nog verveeld rondgedoold door de bossen.

Internaat
Enkele dagen later arriveren we in dat wonderlijke stadje in de Baliemvallei, Wamena. Dankzij de luchthaven kan deze ’kolonie’ in de jungle bestaan. Zijn er enkele dagen geen inkomende vliegtuigen, dan staan de brommers er al snel stil en is er geen rijstkorrel meer te koop.

Samuel en Amsal (een onmiskenbaar Bijbelse naam, het is Papoea voor ”Spreuken”) komen we tegen in het internaat (”asrama”) van de kerk van Wamena, waar zo’n honderd jongens uit de dorpen worden opgevangen als ze niet op school zitten (er is in de stad ook een meisjesinternaat).

Terwijl buiten de regen plenst en een cicade (een reusachtige boskever) aan zijn avondlied is begonnen -het luide snerpende geluid heeft veel weg van een printer uit de jaren ’70- vertellen de jongens over hun nieuwe leven in Wamena. Doordat de elektriciteit in de stad is uitgevallen, lossen de twee aan de andere kant van de tafel mét het verstrijken van de tijd in het donker op. Halverwege de avond verraadt enkel nog stemgeluid hun aanwezigheid. Samuel wil verpleegkundige worden, vertelt hij, Amsal predikant. Allebei zijn ze vast van plan na hun studie terug te gaan naar hun geboortedorp. „Daar kunnen ze ons straks goed gebruiken.”

De jongens hebben hun ouders voor het laatst vorig jaar december gezien. Er vloog daarna wel eens een brief richting Bari (die Samuels moeder dankzij de leesles kon ontcijferen), maar daarin ging het vooral over geld dat ze voor school en voor hun levensonderhoud nodig hadden. Meestal kregen ze minder dan ze vroegen, en kwamen er uit de buik van het vliegtuigje geen varkens maar een kip, wat sago, pinda’s of bananen. Natuurlijk kunnen ze die in Wamena verkopen om aan geld te komen, maar genoeg was het nooit. Een baantje na schooltijd of domweg geld lenen was veelal onvermijdelijk.

Onmogelijke opgave
Intussen mogen Amsal en Samuel blij zijn dat ze in de asrama zitten, want enige zorg en toezicht is zeker geen overbodige luxe. Vanwege de ontoegankelijke rimboe ertussen lijkt de afstand tussen Bari en Wamena als die tussen Amerika en Europa. En qua ontwikkeling en cultuur zijn de twee al helemáál niet te vergelijken. Wamena, dat is Amsterdam, Bari een gehucht op de Veluwe. Je zult na dertien jaar ’eenzame opsluiting’ in Bari als scholier in Wamena terechtkomen, en vervolgens ook je ouders maandenlang niet zien!

Voor honderden jongens uit het bergland is de toestand nog belabberder. Ze wonen in zelfgemaakte hutten, geheel buiten de zorg en toezicht van het internaat. Ver weg van hun ouders zijn deze kerkelijke jongeren compleet op zichzelf aangewezen. Vanuit geestelijk oogpunt bezien een onmogelijke opgave. Want wat komt er van je geloof terecht wanneer je als 13- jarige in het Amsterdam van Papoea bent beland?


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels