De twee tamme kraaien die hij later bij zijn woning in Loenen had, vlogen elk op een dag weg. Meer tijd om zich met vogels bezig te houden had De Vries in die periode niet. Totdat hij tien jaar geleden vanwege een tumor in zijn buik buiten het arbeidsproces kwam te staan. „Op een buitenbeurs in Vorden ontmoette ik een valkenier. Ik was zo gefascineerd door de manier waarop hij zijn roofvogels beheerste, dat ik besloot een jachtakte te gaan halen. Die heb je nodig om roofvogels te mogen laten vliegen. Het is specialistisch werk. Je kunt niet even in een opwelling besluiten valkenier te worden.”
Na een traject dat een kleine vijf jaar duurde, inclusief een verplichte stage van drie jaar bij een valkenier, kon De Vries zelf een vergunning aanvragen om roofvogels te houden. Dagelijks is hij zo’n drie uur met zijn dieren in de weer. Om te beginnen gaan ze elke ochtend op de weegschaal. „Als ze te veel wegen, doen ze niets meer”, zegt de valkenier, die regelmatig roofvogeldemonstraties verzorgt.
Dagelijks traint hij zijn vogels in een weiland. „Om in conditie te blijven, moeten ze de lucht in. De roofvogels vliegen op de loer, een prooi aan een touw. Ze eten duiven, eendagskuikens en soms ratten. Op het laatste moment trek ik de loer voor hun neus weg. Dan vliegen ze direct weer de lucht in. Dat gebeurt tien tot vijftien keer achter elkaar. In de natuur werkt het precies hetzelfde. Roofvogels vliegen uitsluitend om te jagen. Ze gaan niet leuk even wat rondvliegen.”
De Vries vindt het lastig te zeggen wat zijn favoriete dier is. „Iedere vogel is op zijn eigen manier bijzonder. De buizerd is bijvoorbeeld mijn favoriete bosvogel. De valk moet ruimte hebben. Die heeft een veel spectaculairdere vlucht. Hij is de snelste vogel ter wereld. Als je die met een snelheid van 200 tot 300 kilometer per uur aan ziet komen, is dat vreselijk mooi. Net een F-16 die voorbijkomt.”
Tijdens de activiteiten met zijn vogels is De Vries altijd alert. Als ze bij hem op een grote leren handschoen zitten, hebben ze een huif op hun kop, om het zicht te beperken en te voorkomen dat ze in de stress schieten. „Na vier, vijf jaar heb ik een bepaald vertrouwen bij ze opgebouwd, maar het blijven roofdieren. Valken doden hun prooi met hun snavel. Buizerds doden hun prooi met hun klauwen. De kracht die daarin zit, is gigantisch.”
Behalve buizerds, valken en sakers houdt De Vries een oehoe en een kerkuil. „De kerkuil is mijn huisdier. Die komt ’s avonds binnen en vliegt dan door de kamer. Ik heb haar er uit liefhebberij bij, evenals Cato, de oehoe. Zij is de enige die luistert als ik haar bij haar naam roep.”
De Vries staat op en roept de oehoe, die onder een houten afdakje staat. Ze komt niet direct tevoorschijn. „Hallo Cato, kom eens. Nou nou, niet zo verlegen”, houdt de valkenier aan. Uiteindelijk springt ze tevoorschijn, om zich snel weer terug te trekken in de schaduw. „Ik heb haar als kuiken gekregen en in een box in de kamer grootgebracht. Zo’n vogel moet je zes tot acht weken bij je hebben om te socialiseren. Dan is-ie hanteerbaar.”
Aan een uitbreiding van zijn vogelgroep denkt De Vries niet. „Negen is zo’n beetje het maximum. Als ik er meer zou nemen, zou ik de andere tekortdoen.”
De band die hij met zijn vogels ervaart, is eenzijdig. „Ik heb wel een band met hen, maar ze hebben geen band met mij. Als ik thuiskom staan ze niet te huppelen: Ha, daar heb je Reinier weer. Dat past bij hun status als roofdier. Je moet er geen knuffeldieren van maken.”
Dit is het tweede deel in een serie over een bijzondere verhouding tussen mens en dier.