De gang naar het grote complex met oudere bewoners heeft de kwieke ex-RD’er -hij is in d’Amandelboom onder meer voorzitter van de bewonerscommissie- sterk bepaald bij de vergankelijkheid van het leven. „Sinds we hier wonen, zijn er veertig bewoners overleden. Alleen dit jaar al negen.”
De Standaard
De gereformeerd vrijgemaakte Bertus van der Ros kwam via de vroegere bestuursvoorzitter J. H. Koppelaar uit Middelharnis begin jaren zeventig voor het eerst in aanraking met de Stichting Reformatorische Publicatie (SRP). „Dat kwam zo. Ik was secretaris van de grafische afdeling van het Gereformeerd Maatschappelijk Verbond (GMV) toen ik in 1965 voor het eerst Koppelaar ontmoette. Dat gebeurde tijdens een vergadering van christelijke drukkers. Die hadden we bijeengeroepen omdat we dreigden aan de FNV te moeten gaan meebetalen. Koppelaar vroeg me of ik aan zijn krant, het weekblad Eilandennieuws op Goeree-Overflakkee, wilde meewerken. Ik heb toen vijf jaar lang voor hem het buitenlandoverzicht verzorgd.”
Van der Ros was op dat moment werkzaam als eindredacteur bij het Haagse Vuga, uitgever van verschillende bladen en tijdschriften. Ook was hij correspondent voor enkele dagbladen en deed hij wat parlementair werk voor het Nederlands Dagblad.
Eerder deed hij krantenervaring op als verslaggever bij De Standaard, de door Abraham Kuyper opgerichte krant. Hij trad daar in 1933 in dienst en werkte vanuit het bijkantoor in Rotterdam. Ook een onvergetelijke tijd, aldus Van der Ros, die smakelijk verhaalt over zijn ontmoetingen met de befaamde redenaar professor Wisse. Zoals tijdens een winterlezing.
„Van mijn broer hoorde de professor dat ik er was, waarna hij liet weten me te willen spreken. Als Wisse een tijdrede houdt, zitten de kerken altijd vol, hield de prof me voor. En hij beveelt de collectes altijd van harte aan. Dat moet je in je verslag zetten. Mijn chef zei later dat ik aan Wisses rede drie regels mocht wijden en wel diende te melden dat de kerk maar halfvol was. Toen ik de professor op een ander moment in Middelburg interviewde, vroeg hij me na afloop om 25 gulden. Echt, hij wilde geld voor een vraaggesprek.”
Sinterklaas
Terug naar het RD. De ontmoeting met Koppelaar bleek later een beslissende wending in de carrière van Van der Ros tot gevolg te hebben. „In 1970 belde hij me op. Of we konden praten over een baan bij de nieuw op te richten krant. We spraken uitvoerig met elkaar in restaurant Engels in Rotterdam. Toen volgde de voordracht. Ik verscheen op 5 december 1970 voor het bestuur. Op een zaterdag. Dat vergeet ik niet, de kinderen vonden het niet leuk, want het was Sinterklaas. De SRP-mannen waren dankbaar dat ze een chef-redacteur konden vinden, ze zochten iemand met ervaring bij een krant. Natuurlijk werd er gesproken over mijn kerkelijke achtergrond. Ze wilden weten hoe ik dacht over de Statenvertaling en de Drie Formulieren van Enigheid. Of ik daartegen bezwaar had? Nu, dat had ik niet. De maandagochtend daarop ging de telefoon. Ik was aangenomen.”
Op 1 februari 1971 begon Van der Ros, met een vijftal voornamelijk onervaren redacteuren, in een pand aan de Korenstraat in Apeldoorn met het vervaardigen van een dagelijkse proefkrant. Ter voorbereiding op de verschijning van het eerste officiële nummer. K. Bokma was benoemd als directeur en drs. C. S. L. Janse als hoofdredacteur. Janse was nog verbonden aan de VU en schreef daardoor zijn hoofdartikelen vooral op afstand.
Basis voor de schaduwkrant vormden doorslagen van de telexrollen van drukkerij Wegener, waar het RD later ook van de persen rolde. Op 1 april 1971 verscheen het eerste officiële nummer. Van der Ros: „Een gedenkwaardige dag, op 1 april 1872 liet Kuyper de eerste Standaard het licht zien.”
De chef-redacteur was de onmisbare spin het web. Hij scheurde telexberichten, knipte, plakte, typte en leerde de aankomende journalisten hoe zij de kopij moesten bewerken tot eigen (nieuws)berichten. Veel werd van de Apeldoornse Courant overgenomen, hoofddoel was vooral de berichtgeving over kerk en school direct zelf te (laten) verzorgen. „Het was een mooie tijd, maar er moest hard worden gewerkt. Ik sloeg meermalen een nacht over, bijvoorbeeld met gemeenteraadsverkiezingen. Je zat dan aan de telefoon. Correspondenten belden de uitslagen door, naar andere plaatsen telefoneerden we zelf. De briefjes met getallen gingen rechtstreeks naar de zetterij.”
Grote giften
Tussen de 13.000 en de 15.000 abonnees ontvingen dagelijks, als gevolg van postbezorging vaak op een laat tijdstip, het RD. Hun aantal groeide snel, weet Van der Ros. „Toen ik in 1979 met pensioen ging, waren er wel 45.000 abonnees. In die beginperiode kreeg de krant veel giften, soms heel grote. De saamhorigheid was enorm. Alles draaide erom de krant goed op poten te zetten, er werd net zo lang doorgewerkt tot we klaar waren.”
De hardwerkende en enthousiaste chef-redacteur zette samen met vormgever J. Vermaas al spoedig de eerste Plus, de vrijdagse bijlage, op. „We maakten de schema’s op donderdagavond.” Toch eisten de zware pioniersjaren hun tol. „Op oudejaarsavond 1973 stortte ik in. Het ging niet meer, ik was op. Van de dokter moest ik thuisblijven. Drie maanden was ik buiten bedrijf. In die periode is Bokma ingesprongen, hij deed ook krantenwerk.”
De laatste jaren van zijn RD-tijd verrichtte Van der Ros onder meer werk op de parlementaire redactie van het RD. „Het was aanvankelijk niet mogelijk om een geschikte redacteur te vinden, zodat ik het Haagse deel voor mijn rekening nam.
Onderscheiding
In 1979 volgde het onvermijdelijke afscheid, maar niet zonder dat Van der Ros op 29 april een koninklijke onderscheiding ontving. „Ik stond op het punt om te vertrekken naar het afscheid van dr. L. de Jong. Ik had m’n jas al aan en moest de trein halen toen Bokma me belde. Je moet even wachten zei hij, we moeten nog een kunstwerk voor het nieuwe gebouw aan de Stationsstraat uitzoeken. Tegensputteren hielp niet, twee minuten later stond hij voor de deur. Het bleek een truc te zijn die ik pas doorkreeg toen ik al mijn kinderen zag. Uit de RD-pagina met namen van gedecoreerden, die we onder embargo hadden gekregen en die ik nog had doorgenomen, bleek mijn naam te zijn geschrapt.”
Na zijn pensionering gaf Van der Ros nog enkele jaren les aan de Evangelische School voor Journalistiek in Amersfoort. Verder verzorgde hij een cursus journalistiek bij de EO.
Dat het RD ook actueel kon zijn, bewees het kleine clubje redacteuren halverwege de jaren zeventig. Trots: „Toen werd op een ochtend de Japanse ambassade overvallen. We hebben drie edities gemaakt, de voorpagina werd verschillende keren opgefrist. In het laatste nummer dat verscheen, stond zelfs dat de dader met een vliegtuig naar een Arabisch land was vertrokken.”