Meer Darwinkenners gingen op zoek naar doorslaggevende factoren in zijn leven, en ook zij komen uit bij boeken, bij theorieën en bij personen, in plaats van bij pure waarneming en reiservaringen. Steeds meer met een tunnelvisie keek Darwin naar aardlagen, planten en dieren.
Nette heer
Darwins reis krijgt vorm als ene Robert FitzRoy bij de Royal Navy aandringt op „een heer” die hem gezelschap kan houden tijdens een twee jaar durende verkenningstocht op het zuidelijk halfrond. De 26-jarige luitenant is benoemd tot kapitein van de Beagle en moet in opdracht van de Britse admiraliteit het Zuid-Amerikaanse zeegebied zorgvuldig in kaart brengen en als eerste met behulp van de schaal van Beaufort de windkracht grafisch vastleggen.
De talentvolle marineofficier heeft echter moeite met de afstand die hij als gezagvoerder geacht wordt te bewaren tot zijn ondergeschikten. Hij is bang dat de eenzaamheid hem tot waanzin zal drijven en vreest dat hij zichzelf iets zal aandoen. Zijn disgenoot moet natuurlijk van fatsoenlijke afkomst zijn, een ”suitable gentleman friend” van ongeveer dezelfde leeftijd, met een gedegen wetenschappelijke belangstelling en, niet onbelangrijk, voldoende geld om zijn eigen reis te betalen.
De botanicus John Stevens Henslow schuift Darwin als de geschikte kandidaat naar voren. De uit gegoede kring afkomstige jongeman is bijna 23 jaar, heeft theologie gestudeerd en mag dan geen „volleerd naturalist” zijn, hij kan „meer dan genoeg boeken” meenemen, aldus Charles’ mentor.
Het scheelt een haar of Darwin mist de boot. Zijn vader, verantwoordelijk voor de financiering, ziet aanvankelijk niets in deze onderneming, maar na Joseph Wedgwood te hebben geraadpleegd (die het avontuur toejuicht), mag zoonlief de koffers pakken. Charles reist opgetogen naar FitzRoy, die wel wat bedenkelijk tegen zijn grote neus aankijkt. De hooghartige zeerob twijfelt of iemand met zo’n gok voldoende „energie en vastberadenheid” heeft om deze wereldreis te ondernemen.
Felle conflicten
De Britse Darwinbiografe Janet Browne vermeldt in haar boek ”Over het ontstaan van soorten” de tegengestelde karakters van de twee. Soms zijn er gedurende de reis felle, maar tijdelijke conflicten, die overigens niet alleen te wijten zijn aan FitzRoys hoekige karakter. Ook hun mate van vroomheid groeit namelijk gaandeweg sterk uiteen. De kapitein wil tijdens de expeditie vooral de waarheid van de schepping bewijzen, aldus Alan Moorehead, schrijver van ”Darwin en de Beagle. Een scheepsreis naar de oertijd”.
De eerder genoemde Sanders noemt FitzRoy ook in het rijtje personen die proberen Darwin te bewaren bij het gezag van de Schrift. Hij negeert hun bezorgdheid echter willens en wetens. En wat te denken van zeer persoonlijke en diepexistentiële ervaringen die de jongeman in die vijf jaar opdeed? „Het is onmogelijk de verheven gevoelens van ontzag, bewondering en toewijding waar het gemoed vol van is, adequaat weer te geven”, tekent de avonturier zelf op. Ervaart hij deze overweldigende harmonie, schoonheid of stilte niet meer als roepstemmen van God?
Darwin is volgens Moorehead in elk geval niet meer bereid FitzRoys ’botte’ uitspraken over de waarheid van het boek Genesis te aanvaarden. In de stuurhut ligt FitzRoys opengeslagen Bijbel naast ”The Principles of Geology” van Charles Lyell, een driedelige studie die steeds meer vat op Darwin krijgt. De kersverse theoloog raakt opgewonden over diens verwerping van de Bijbel als gezaghebbende bron voor de verklaring van geologische verschijnselen. In de ogen van Lyell maken de veranderingen van de aarde geen deel uit van een gerichte ontwikkeling en heeft de vorming van gesteenten plaats door processen die tegenwoordig nog steeds zijn waar te nemen. Hij schokte zijn vak- en tijdgenoten door te beweren dat de aarde onvoorstelbaar oud is, en dat hij geen begin- en eindpunt heeft. Dat hij eeuwig zou blijven voortbestaan in oneindige geologische cycli.
Darwin gebruikt Lyells lessen om de aardvormen te verklaren die hij tegenkomt. Zonder Lyell, concludeert Browne, had Darwin wellicht nooit zijn intellectuele vergezichten gehad. Zijn ideeën, vervolgt ze, begonnen te draaien rond de theorie dat kleine veranderingen grote gevolgen konden hebben. „Daarmee zette hij een van de belangrijkste stappen op zijn intellectuele reis.”
De fossielen, breuklijnen en vulkanen die Darwin in Zuid-Amerika ziet, bevestigen slechts het gelijk van Lyell, vindt hij. De beweeglijkheid van de aarde ervaart de natuurvorser zelf aan den lijve tijdens een aardbeving op 20 februari 1835, aan de Zuid-Chileense kust. „Een aardbeving”, schrijft hij achteraf, „vernietigt met een slag onze oudste associaties: de aarde als symbool van alles wat vast is. Die aarde heeft onder onze voeten bewogen als een korst op een vloeistof.” Het thuisfront laat hij weten dat er niets mooier is dan geologie. „Het genoegen van de opening van de patrijzenjacht of van de wildjacht is niets vergeleken bij het ontdekken van een verzameling fossiele beenderen die hun verhaal van het verleden vertellen als met een levende tong.”
Vooral de fossielen die Darwin op 22 september 1832 bij Punta Alta ten zuidwesten van Buenos Aires ontdekt, maken diepe indruk. De overblijfselen van negen reusachtige zoogdieren zijn niet eerder gevonden. Onder de vondsten is een grondluiaard zo groot als een olifant.
Darwin zelf noemt deze fossielen „een van de drie dingen” die tijdens zijn reis het startsein geven voor de ontwikkeling van zijn evolutionistische ideeën. De andere zijn de vondst van een klein soort nandoe (een Zuid-Amerikaanse struisvogel) en het bezoek aan de Galapagoseilanden. Wat hij bedoelt te zeggen, is dat ze passen in het denkkader dat Lyell in zijn hoofd en hart had aangebracht.
Alles in een zak
De Beagle bereikt de eilanden op 16 september 1835. Darwin verwacht er spectaculaire vulkaanuitbarstingen, maar vindt er een troosteloze, dorre steenmassa. Dat is voor hem reden om zich niet meer op de geologie maar op die wonderlijk dierenwereld te richten. Hij verzamelt er grote aantallen vogels (met name spotlijsters en vinken), reptielen, insecten, vissen, zeezoogdieren en planten.
„Het gekke is”, stelt Edward Larson, „dat Darwin de verscheidenheid aan soorten niet opmerkte toen hij op de eilanden zat.” De auteur van ”De proeftuin van de evolutie. God en de wetenschap op de Galapagoseilanden”, vermeldt dat Darwin de verzamelde vinken in een zak stopt zonder hun afzonderlijke herkomst te noteren. Hij beseft nog niet dat juist hun afzonderlijke vindplaats (namelijk van de verschillende eilanden) belangrijk kan zijn. Hij ziet nog wel dat de spotlijsters van eiland tot eiland verschillen, maar daarvan meent hij dat het om variëteiten binnen een soort gaat.
„Niets wijst erop dat Darwin tijdens de reis al een evolutietheorie ontwikkelt”, concludeert Browne. „In oktober 1836 stapt Darwin in Falmouth aan land als een ander mens, maar nog niet als evolutionist.”
Een extra stimulans aan zijn denken geeft het boek van Thomas Malthus, ”Essay on the Principles of Populations”, dat hij twee jaar na terugkeer -in 1838- leest. Daaraan ontleent Darwin de idee van natuurlijke selectie door sterfte, wanneer levende wezens zich aanpassen aan veranderde leefomstandigheden. Daarmee doet de dood als creatieve kracht intrede in zijn denken.
Mysterie
Intussen blijft de Galapagosarchipel hem boeien. Na zijn terugkeer in Engeland pluist hij tot 1844 zijn Galapagosvondsten uit om er bewijzen voor zijn geleidelijk ontstane theorie uit te halen. Belangrijker dan zijn eigen inspanningen is de inbreng van twee specialisten, de ornitholoog John Gould en de plantenkundige Joseph Hooker. Beiden onderzoeken respectievelijk de door hem bijeenvergaarde vogels en planten en stellen vast dat de meesten nieuw ontdekte soorten zijn. Bovendien zijn ze endemisch - ze komen alleen op de Galapagos voor.
Het hoofdstuk over deze eilanden in zijn bijdrage aan het scheepsjournaal wordt in de editie van 1845 -dus ruim tien jaar na zijn verblijf op de Beagle- daarom alsnog uitgebreid. Vooral zijn bijdrage over de vinken dijt dankzij de bevindingen van Gould flink uit. Wat leest als reiservaringen zijn dus in werkelijkheid toevoegingen uit het lab in Engeland.
In 1846 komt het hoge woord over de Galapagos eruit, als Darwin het in een artikel heeft over „the mystery of mysteries.” „De omstandigheid dat verscheidene eilanden hun eigen soorten landschildpadden, spotlijsters, vinken en talloze planten hebben, doet me versteld staan. Hier, in deze kleine wereld op zichzelf, schijnen we iets dichter te komen bij het grote feit, het raadsel der raadselen: het voor het eerst verschijnen van nieuwe levende wezens op aarde. De Galapagos lijken een eeuwigdurende bron van nieuwe dingen.”
Dertien jaar later, in 1859, publiceert Darwin zijn bekende boek ”On the Origin of Species”. „Tegen de tijd dat Darwin zijn historische boek uitbrengt, heeft hij zo veel argumenten voor evolutie door natuurlijke selectie bijeengebracht dat de Galapagoseilanden er een bijrol in spelen”, schrijft Larson. Het ’bewijsmateriaal’ uit de duivenfokkerij blijkt in Darwins beroemdste boek veel omvangrijker.
Verzamelwoede
Darwin ontdekt al na vertrek uit Plymouth dat hij het varen op zee onderschat heeft. „Die ellendige zeeziekte”, schrijft hij naar huis, „is veel erger dan wat ik in mijn somberste verwachtingen vermoedde.” Dit ongemak verhindert hem niet om enorme aantallen plantjes, beestjes en stenen aan boord te slepen. Als Darwin zijn vondsten aan boord brengt, is eerste luitenant Wickham ontzet over de vervuiling van zijn schone dekken en komt hij in opstand tegen die „rommel.” Zijn verzamelwoede gaat zelfs tijdens het avondeten door, blijkt uit een anekdote. Als de Beaglebemanning bijna een grote loopvogel heeft opgepeuzeld, beseft Darwin dat het om een onbekende nandoesoort gaat die hij aan zijn collectie wil toevoegen. De kok kan hem nog „kop, nek, poten en een vleugel” en enkele grote veren overhandigen, die Darwin vervolgens zorgvuldig opbergt.
Officiële naturalist
Vaak wordt beweerd dat Darwin als officiële naturalist op de Beagle aanmonsterde. Die functie is echter al toebedeeld aan de scheepsarts Robert McCormick. Als Charles onderweg enthousiast planten en dieren begint te verzamelen en kapitein FitzRoy hem steeds meer behandelt als dé natuurvorser, trekt Robert McCormick zijn conclusies. Hij verwijt de landrot dat die zich zijn baan heeft toegeëigend. Tegelijk beseft de ervaren zeeman dat hij tegen de onbezoldigde tafelgast van de kapitein geen schijn van kans heeft. Verbitterd verlaat hij het schip in Rio de Janeiro en keert hij teleurgesteld terug naar Engeland. Later wordt McCormick een beroemd poolontdekker.