Maar in sommige gebieden had het ernstige gevolgen. Hadden het overwegend christelijke Mamasa en het islamitische Polewali tot dan toe één district gevormd -onder de naam Polmas- vanaf nu zou Mamasa zelfstandig als district door het leven gaan. Fijn voor de christenen daar, maar minder prettig voor de minderheid van moslims in de randgebieden van dit nieuwe district. In zo’n dertig dorpen -waaronder Mambi- waren moslims in de meerderheid en die peinsden er niet over om zich in een „christelijk district” te laten opsluiten, losgemaakt van hun islamitische medegelovigen in Polewali.
Etnische verschillen tussen de (islamitische) Mandar in Polewali en de (christelijke) Toraja’s in Mamasa, en traumatische herinneringen uit de tijd van de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd, toen militante moslims in dit gebied werden aangevallen door regeringsgezinde inwoners uit Mamasa, zorgden voor een verder verscherping van het conflict en een verdieping van de termen pro en contra (bestuurlijke herindeling). Naarmate het voortetterde -op een gegeven moment waren er in deze dorpen zelfs twee besturen parallel actief- nam het menselijk leed toe. In september 2003 waren naar schatting 8500 mensen op de vlucht, ruim een jaar later moesten zo’n 1500 christenen hun woningen verlaten uit angst voor moslimgeweld. Op Sulawesi is de afgelopen jaren meer sprake van bloeden dan van bloeien.