„Wat ik na een aardbeving wil weten? How big, how bad and where.” De stem van Rich Eisner klinkt onmiskenbaar resoluut als hij de vraag beantwoordt over welke informatie hij onmiddellijk na een aardbeving wil beschikken: de kracht van de schok, de schade die hij heeft aangericht en de exacte locatie.
Even lijkt het erop alsof de chef van het coördinatiecentrum voor rampenbestrijding van de gouverneur van Californië zich overgeeft aan dagdromerij. Maar dat is, zo verzekert Eisner met een brede glimlach, niet het geval.
Zijn optreden tijdens de San Simeon-aardbeving van 22 december 2003, in het uitgestrekte Paso Robles Templeton-gebied aan de westkust van de VS, is het beste bewijs. De schok, met een kracht van 6,5 op de schaal van Richter, kostte twee inwoners het leven. Veertig mensen raakten gewond en evenzoveel gebouwen werden zwaar beschadigd.
Eisner was „ergens in de bergen”, ver verwijderd van Paso Robles Templeton. Toch kon hij prima overleggen met zijn staf. „Ik logde in en had binnen 8 minuten de belangrijkste gegevens. Vervolgens heb ik de lokale autoriteiten geïnstrueerd.”
Tikkende tijdbom
Het westelijk kustgebied, door zijn inwoners bijna liefkozend omschreven als „ons aardbevingsland”, is berucht om zijn vele schokken. Leek de eerste grote klap rond San Francisco in 1865 een incident, na de volgende schok in 1868 daagde bij iedereen het besef dat beide wel eens de eerste konden zijn in een lange reeks van bevingen.
„Er was bij burgers niets van wanhoop, ontmoediging of zelfs twijfel te bespeuren”, aldus de regionale Daily Alta California in 1868, „maar een sterke wil om de schade te herstellen en met nog meer energie aan de slag te gaan.”
Josiah Dwight Whitney, een van de eerste Amerikaanse geologen die een reeks grondige studies aan aardbevingen wijdde, liet er echter geen onduidelijkheid over bestaan. „They will come and will do a great deal of damage”, sprak hij na de catastrofes van 1865 en 1868, oftewel: Californië, wees op je hoede, een volgende aardbeving wordt onherroepelijk een feit.
Ruim 38 jaar lang kon Californië na Whitneys woorden de illusie koesteren dat de geoloog een onheilsprofeet was; een zwartkijker, die er behagen in schiep San Francisco en zijn omgeving de stuipen op het lijf te jagen. Tot niemand er in 1906, na de catastrofale San Andreas-aardschok vlak buiten San Francisco, nog langer om heen kon: Californië moest en zou zich verzoenen met een roerig bestaan, op een tikkende tijdbom, die met enige regelmaat zou ontploffen.
Dovemansoren
Voor rampenbestrijders uit Californië, zoals Rich Eisner, is de aanwezigheid van geavanceerde apparatuur dus geen overbodige luxe. Dat hij erover beschikt, is echter allerminst een vanzelfsprekendheid. Ook de waarschuwingen aan het adres van Amerikaanse overheden van wetenschappers na 1906 waren aan dovemansoren gericht, aldus de Amerikaanse wetenschapsjournalist Philip L. Fradkin. Het beleid van deze overheden aangaande aardbevingen is er alle jaren door een geweest van ontkennen en negeren, stelt hij in zijn in 1998 gepubliceerde boek ”Magnitude 8”.
Feiten over de breuklijnen onder de Amerikaanse westkust werden angstvallig verdoezeld, zo schrijft Fradkin. Waarschuwende rapporten die dringend opriepen tot het nemen van voorzorgsmaatregelen verdwenen onopgemerkt in het archief.
Om zijn aantijgingen aan het adres van de autoriteiten in Californië te staven, citeert Fradkin uit een telefoongesprek tussen een anonieme beller en de telefonist van een alarmcentrale, kort na de Loma Prieta-aardbeving uit 1989. Dit gesprek maakt het duidelijk: de crisiscommunicatie tussen overheden en van overheden naar burgers was toen verre van optimaal.
„Klopt het dat er iets mis is met de brug naar Oakland?” vraagt de beller. „Ik maak me zorgen. Mijn vader komt rond deze tijd thuis.” De telefonist: „Ik wil u niet ongerust maken. Ik weet het niet. Het enige wat ik heb gehoord is dat het bovenste brugdek is ingestort. Maar ik kan het niet bevestigen.”
Onbetrouwbaar
Eisner bevestigt dat zijn staf het in 1989 nog moest stellen zonder deugdelijke communicatieapparatuur. „Tot 1994 voorzagen alleen de media ons na een aardbeving van informatie.”
Dat ook die bron niet altijd even betrouwbaar was, bleek volgens Eisner tijdens de Loma Prieta-aardbeving, waarbij 63 doden en 3800 gewonden vielen en zo’n 2800 gebouwen beschadigd raakten. „Toen de beving begon, was er een baseballwedstrijd gaande in het Candlestick Park in San Francisco. Het hele zuidwesten volgde die wedstrijd op de tv en zag op het scherm iets van een beving in dat stadion. Daarop werden alle hulpverleners massaal richting het stadion gedirigeerd. Pas na tien uur kwamen we erachter dat het echte epicentrum in Santa Cruz was, tientallen kilometers zuidelijker.
Hoe groot de echte schade van een aardbeving is, weet je pas na weken. Daar kun je als hulpverlener niet op wachten. Zodra de seismografische dienst meldt waar de aardbeving is en hoe krachtig de schok, moeten wij paraat hebben wat ons te doen staat. Zonder af te gaan op wat fragmenten uit het nieuws.”
De afgelopen jaren bracht Eisner met zijn staf alle kwetsbare plekken in kaart in de steden San Francisco en Los Angeles en hun omgeving: bruggen, elektriciteitscentrales, maar ook ziekenhuizen en scholen. Van de steden is per wijk bekend welk type inwoners er is gehuisvest. De computer registreert onder andere het gemiddeld inkomen en de etniciteit.
Eisner activeert zijn laptop en tovert al klikkend een plattegrond van San Francisco op het scherm. „Van elke brug weten we het bouwjaar. En we weten of hij recent extra is verstevigd. Zodoende kunnen we onmiddellijk na een aardbeving inschatten of een spoedreparatie zin heeft. Is de aardbeving in de buurt van een ziekenhuis, dan bepalen wij aan de hand van de sterkte ervan of de geneeskundige dienst moet worden gemobiliseerd. Welke ondersteuning een ziekenhuis nodig heeft, weten wij al voordat de medische staf goed en wel in de gaten heeft wat er aan de hand is. Treft de aardbeving de wijk Chinatown, dan is het zaak onmiddellijk voedselpakketten te transporteren. In die wijk wonen veel Aziaten. Die leggen geen voedselvoorraden aan, want ze winkelen elke dag.”
Crisis
Directeur Jim Wilkinson van Cusec, het consortium voor aardbevingen in Centraal-Amerika, zegt slechts te kunnen dromen van een coördinatiecentrum dat dankzij de computer op afstand kan worden aangestuurd. De chef zit in zijn kantoor in Memphis, vele honderden kilometers oostwaarts van Californië, en werpt een mistroostige blik op de voorbijstromende Mississippi.
Zijn in 1983 opgerichte consortium is bedoeld om alle overheden uit de staten Alabama, Arkansas, Kentucky, Indiana, Illinois, Mississippi, Missouri en Tennessee alert te maken op het risico van aardbevingen. Dat er gevaren zijn voor Centraal-Amerika staat buiten kijf. Toen Californië in 1994 werd getroffen door de Northridge-aardbeving (kracht 6,7) was er buiten een straal van zo’n 500 kilometer nauwelijks nog beweging voelbaar. Onderzoek uit 1995 daarentegen wijst uit dat bij een schok van kracht 7 in dit gebied heel het oostelijk deel van de VS aan het trillen slaat. Tel daarbij op de aanwezigheid van tientallen metropolen als Memphis en Saint Louis en het is duidelijk: de aanwezigheid van een centraal aanspreekpunt als Cusec in Centraal-Amerika is dringend gewenst.
Toch slaagt zijn organisatie volgens Wilkinson maar matig in haar missie. Terrorisme, verzucht hij, had ook lange tijd onze aandacht. „Maar er was een catastrofe nodig om in actie te komen. Zo zal het ook met aardbevingen gaan. Dit blijft een land dat pas in actie komt na een crisis.”
Het probleem? Wilkinson: „Lokale bestuurders in dit deel van het land worden voor twee jaar gekozen. Dat betekent een jaar om zichzelf in te werken en een jaar om hun herverkiezing voor te bereiden. Daar tussenin breken ze hun hoofd over actuele problemen. Zoals: Wanneer verlaag ik de belasting? Of: Hoe krijgt ik de criminaliteit omlaag? En dan sta jij daar met het verhaal dat er over twintig jaar misschien een aardbeving komt.”
Dit is het zevende deel in een serie over aardbevingen. Vorige week dinsdag verscheen deel 6: "Trillen onder tafel."