DEN HAAG – De weerstand in orthodox-protestante kring tegen homoseksualiteit is „taai.”
Dat stelt het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) in het vandaag gepresenteerde rapport ”Gewoon anders”. Het SCP maakte het rapport over homo-emancipatie in opdracht van toenmalig minister Plasterk van Onderwijs.
Die weerstand blijkt volgens het SCP uit het „afwijzen van homoseksuele leraren en leerlingen op behoudende protestantse scholen.” Wel hebben homo-organisaties in orthodox protestante kringen „enig succes in het zicht- en hoorbaar maken” van homoseksualiteit. „Orthodoxe protestanten betwisten meestal niet dat ‘homofielen’ in hun kringen voorkomen, maar over de vraag of ze ook seks met elkaar mogen hebben, bestaan heftige meningsverschillen.”
Al met al neemt de acceptatie van homoseksualiteit onder orthodox-christelijk en „in mindere mate, bevindelijk gereformeerden” toe, signaleert het SCP. „Niet alleen van de aard, ook van de daad.” „Van grote invloed zijn de christelijke homo-organisaties, predikanten, hulpverleners, ouders en verzuilde media, doordat ze ‘mensen met homogevoelens’ hoorbaar maken.”
De opinieleiders van behoudende protestanten (orthodox gereformeerden, bevindelijk gereformeerden en evangelischen) „lijken juist conservatiever dan hun achterban”, aldus het SCP. „Deze kerkgenootschappen hebben in hun officiële besluitvorming nog vrijwel niets afgedaan aan hun traditionele afkeuring van homoseksueel vrijen en verkeren. Afwijzing van het ‘praktiseren’ van homoseksualiteit is voor hen een identiteitsbepalende kwestie geworden.”
In „evangelische en Pinksterkerken” zijn homoseksuele gelovigen vrijwel per definitie onhoorbaar, stelt het SCP. „Veel evangelische protestanten weigeren een homoseksuele voorkeur te aanvaarden als een gegeven. ‘Mensen met homogevoelens’ hebben pas recht van spreken als die gevoelens zijn verdwenen of verbleekt.”
Het SCP noemt het „zorgelijk” dat in sommige kringen „homoseksualiteit en homo-emancipatie uitdrukkelijk in verband worden gebracht met de werkzaamheid van de duivel en zijn trawanten.”
Voor veel niet-westerse Nederlanders is homoseksualiteit „iets van westerlingen en ongelovigen”, constateert het SCP. Het planbureau stelt dat het aanpakken van geweld en intimidatie tegen homoseksuelen „onverminderd belangrijk” blijft. „Gegevens van de politie en van antidiscriminatiebureaus wijzen op een toename van homofobe uitingen. Alleen al in Amsterdam ging het in 2009 om 371 meldingen, voornamelijk van homoseksuele mannen. Vermoedelijk is dit slechts het topje van de ijsberg.” Vaak zijn het allochtone jongeren (Marokkanen) die homo’s treiteren en intimideren.
In Nederland is homoseksualiteit steeds meer geaccepteerd, stelt het SCP. Was in 2006 nog 15 procent van de Nederlandse bevolking negatief over homoseksualiteit, in 2008 is dat percentage gedaald tot 9 procent. Seksuele gemeenschap tussen twee mensen van hetzelfde geslacht is minder aanvaard. Ruim een kwart van de bevolking vindt seksuele gemeenschap tussen manen „walgelijk.”
De middelbare school is geen veilige plek voor homoseksuele jongeren, aldus het planbureau. „Jongeren leggen elkaar strikte seksuele normen op. Scheldwoorden en pesterijen zijn schering en inslag.”
Zorgen maakt het SCP zich over gevoelens van depressiviteit onder homoseksuele jongeren. Een op de zeven meisjes en een op de acht jongens in die categorie heeft depressieve klachten. De helft van de onderzochte homojongeren denkt wel eens aan zelfmoord; 9 procent van de jongens en 16 procent van de meisjes heeft ook werkelijk een zelfmoordpoging gedaan.