Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Schuiven met schedels

 Onderzoekers graven de restanten van een Australopithecusachtige op bij Sterkfontein in Zuid-Afrika. Ze schatten de ouderdom van het fossiel tussen 3,5 en 4,5 miljoen jaar oud. Foto Science Magazine
 1 van 2  

Onderzoekers graven de restanten van een Australopithecusachtige op bij Sterkfontein in Zuid-Afrika. Ze schatten de ouderdom van het fossiel tussen 3,5 en 4,5 miljoen jaar oud. Foto Science Magazine

Stamt de mens van een aapachtige af? Wetenschappers proberen dat idee te onderbouwen met vondsten van fossiele ‘voorouders’. Maar de datering brengt hen geregeld in de problemen. Naamgeving en datering van de schedels en botten blijken zodanig te kunnen schuiven dat de onderzoekers moeite moeten doen om een schijn van wetenschappelijkheid op te houden.
De aapachtige Ardipithecus ramidus wordt in de gangbare taxonomie als de oudste hominide beschouwd, waaruit na miljoenen jaren de menselijke Homo erectus en Homo sapiens ontstaan zouden zijn. Andere soorten aapachtigen, zoals de gorilla-achtige Paranthropus robustus en Paranthropus boisei, zijn uiteindelijk uitgestorven en horen niet meer bij de evolutionaire afstammingslijn van de mens.

Dr. Marvin Lubenow, hoogleraar apologetiek aan de Southern California Bible College –die vorig jaar het boek ”Bones of contention, a creationist assessment of human fossils” (ISBN 0801065232; 400 blz.; $ 27,99) publiceerde– stelt dat evolutionisten hun eigen indeling niet eerlijk gebruiken. „Ze passen hun eigen magie toe als fossielen niet in het rijtje passen. H. erectus kan dan ineens H. sapiens worden of Neanderthaler en H. sapiens zomaar Australopithecus.” Hij noemt dat „een serieus gebrek aan wetenschappelijke betrouwbaarheid, dat de meeste evolutionisten niet eens opmerken.”

Taung

Een sprekend voorbeeld van het schuiven in de taxonomie en met de datering is de schedel van het zogeheten Taung-kind. Dr. Raymond Dart, anatoom aan de Universiteit Witwatersrand in Johannesburg, krijgt het fossiel in 1924 onder ogen. Het is afkomstig van een mijnafgraving bij het stadje Taung. Na enig onderzoek concludeert de hoogleraar dat hij de schedel van een menselijke voorouder in handen heeft. Hij noemt het individu Australopithecus africanus. De anatoom schat de ouderdom van het fossiele relict tussen de 2 en 3 miljoen jaar.

De Zuid-Afrikaanse professor Tim Partridge –geoloog aan de Universiteit Witwatersrand– zorgt in 1973 echter voor grote opschudding. Hij beweert dat de afgraving niet ouder kan zijn dan 870.000 jaar. Dat heeft vérgaande consequenties voor de leeftijd van de Taungschedel. Die kan volgens hem niet ouder zijn dan 750.000 jaar. Daarmee komt ook de naamgeving op losse schroeven te staan. Met de evolutie van H. habilis uit een Australopithecus is immers ongeveer 1 miljoen jaar gemoeid.

„Het is nu tijd voor magie”, constateert Lubenow. Een andere wetenschapper van dezelfde universiteit in Zuid-Afrika, dr. Phillip Tobias, acht het niet meer waarschijnlijk dat deze schedel van een A. africanus is. In de ogen van deze antropoloog is het ook geen H. erectus, vanwege de kleine herseninhoud, maar eerder een robuuste Australopithecussoort, een andere aapachtige. Misschien staat het fossiel toch dichter bij het menselijke geslacht en is het wellicht een H. habilis. Na rijp beraad concluderen de paleoantropologen uiteindelijk dat de schedel gezien de datering niet van een menselijke voorouder kan zijn geweest, maar van een P. robustus, een uitgestorven mensapensoort.

De Taungschedel houdt deze status twaalf jaar, want in 1985 vinden wetenschappers de beroemde ”zwarte schedel” – een fossiel dat tijdens het fossilisatieproces zwart is geworden. De onderzoekers dateren deze Australopithecusschedel op 2,5 miljoen jaar oud. Het fossiel van Taung is van een vergelijkbare vorm, zodat die nu opnieuw tot het geslacht Australopithecus gerekend wordt.

Het werk van Partridge schuiven ze achteloos terzijde, hoewel dat gebaseerd was op drie analyses die gewoonlijk als wetenschappelijk betrouwbaar beschouwd zouden worden.

Kanapoi

Een ander geval van ‘magie’ is de beoordeling van het fossiel van Kanapoi. Dr. Bryan Patterson, paleontoloog aan de Harvard Universiteit in het Amerikaanse Cambridge, vindt in 1965 de goed bewaarde restanten van een opperarmbeen bij Kanapoi, in de buurt van het Turkanameer in Kenia. In april 1967 publiceert hij zijn vondst in het wetenschappelijke tijdschrift Science. „De Kanapoi hominoide heeft opvallend veel menselijke trekken”, concludeert hij op basis van een computeranalyse. Toch deelt de wetenschapper zijn vondst voorlopig in bij de aapachtige Australopithecus africanusfamilie „omdat dat beter overeenkomt met de ouderdom van het fossiel.”

Een latere computeranalyse van het botrestant brengt aan het licht dat het volledig gelijk is aan dat van een moderne mens. „Het resultaat laat zien dat de Kanapoivondst, die 4 tot 4,5 miljoen jaar oud is, ongetwijfeld van een moderne H. sapiens moet zijn geweest”, schrijft dr. Henry McHenry, hoogleraar antropologie aan de Universiteit van California, oktober 1975 in Science.

Dr. William Howells, hoogleraar antropologie en collega van Patterson, geeft in zijn in 1981 verschenen boek ”Homo erectus in human descent” een opvallend openhartige verklaring voor deze gang van zaken. „Het menselijk fragment van 4,4 miljoen jaar oud was onmiskenbaar van H. sapiens. We stelden echter voor om het toe te schrijven aan Australopithecus, aangezien de toewijzing aan het geslacht Homo ons dwaas toescheen, hoewel het de enige correcte conclusie kon zijn, als we de datering zouden negeren.”

Hiermee is het boek rond het Kanapoifossiel nog niet gesloten. Dr. Meave Leakey vindt in 1994 bij Kanapoi een scheenbeen van een hominide die ze Australopithecus anamensis noemt, een van de oudste veronderstelde voorouders van de mens, die geëvolueerd zou zijn uit Ardipithecus ramidus. Ook de eerste Kanapoivondst is inmiddels gedefinieerd als een A. anamensis. Paleoantropologen hebben de ouderdom van beide fossiele resten herzien en vastgesteld op 3,5 miljoen jaar oud. Ondanks dat de botten niet verschillen van die van de moderne mens, beschouwt Leakey de restanten niet als menselijk. Ze concludeert slechts dat ze vanwege die gelijkenis afkomstig moeten zijn van de eerste rechtop lopende hominide.

„Als een evolutionist zijn magie bedrijft, zijn zowel datering als taxonomie kneedbaar”, constateert Lubenow. „Zolang de evolutie maar wordt gediend.”

wort-und-wissen.de

Dit is het tweede deel van een drieluik over onderzoek naar vermeende menselijke voorouders.


Feiten ondergraven afstammingstheorie

Het is de vraag of de theorie van de menselijke afstamming wel wetenschap mag heten. Wanneer de hypothese van de humane evolutie serieus genomen moet worden, moeten de feiten deze bevestigen of falsifiëren. Zou de evolutie van de mens kloppen, dan kunnen moderne mensachtige fossielen en restanten van primitieve aapachtigen niet in dezelfde tijd voorkomen. Ardipithecus zou dan voor afgaand aan Australopithecus moeten voorkomen en Homo habilis voor H. erectus en H. sapiens. Uit de beschikbare literatuur blijkt echter dat de meeste fossiele vondsten helemaal niet overeenkomen met die verwachte ontwikkeling van aap tot mens.

„Op basis van anatomie en schedelvorm is meer te zeggen voor een evolutie zonder tussenvormen (een gescheiden micro-evolutie van aapachtigen en mensachtigen, BvdD), die bovendien steunt op een aanwijsbare genetische basis”, stellen Reinhard Junker, wetenschappelijk medewerker bij studiegemeenschap ”Wort und Wissen”, en dr. Siegfried Scherer, hoogleraar microbiële ecologie aan de Technische Universiteit in München, in hun boek ”Evolution, ein kritisches Lehrbuch” (ISBN 3921046106; 336 blz.; € 25,65).

Beiden concluderen uit hun analyse dat de gefragmenteerde verdeling van de verschillende onderscheidende kenmerken bij mensapen, Australopithecusachtigen en andere hominiden een ononderbroken evolutionaire afstammingslijn onmogelijk maakt. „Met name bij de tweebenige voortbeweging is geen chronologische trend vast te stellen. Daarnaast combineert tweebenigheid niet met de veronderstelde evolutie van de schedelvorm.”

Ook andere feiten weerspreken de menselijke evolutie: de typisch menselijke voetafdrukken die Mary Leakey in 1978 bij Laetoli in Tanzania vond, zijn volgens de gangbare datering 3,75 miljoen jaar oud. Uit dezelfde tijd zijn ‘archaïsche vormen’ van een aapachtige Australopithecus gevonden, die al op twee benen kon lopen én uitstekend kon klimmen, stelt dr. Fiorenzo Facchini in zijn boek ”Vroegste geschiedenis van de mens” (ISBN 9789085711926; 240 blz.; € 44,95).

De Italiaanse hoogleraar paleontologie „vindt het moeilijk te zeggen van wie de mensachtige voetafdrukken waren.” Vanuit zijn evolutionistisch standpunt schrijft hij ze toe aan de aapachtige Australopithecus. De afdrukken passen anders niet in het evolutionaire schema, waarin de eerste mensachtige pas 1,8 miljoen jaar geleden verschijnt.

Het is echter logischer te stellen dat menselijke voetafdrukken afkomstig zijn van mensen. Omdat ook aapachtige Australopithecussoorten uit dezelfde periode zijn gevonden, ligt het voor de hand dat ze gelijktijdig naast elkaar leefden. Dat sluit evolutie uit.

De Amerikaanse rechtsgeleerde Philip Johnson, hoogleraar aan de universiteit van Californië, concludeert in zijn boek ”Darwin on trial”: „Het verhaal van de menselijke afstamming is niet slechts een wetenschappelijke hypothese, maar het is de seculiere tegenhanger van het verhaal van Adam en Eva.”


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels