Aan de Thaise kust bestond dan ook geen enkele ervaring met tsunami’s. Ze komen hoofdzakelijk voor in de Stille Oceaan. Alle eilandbewoners zijn daar vertrouwd met het verschijnsel en de waarschuwing daarvoor. Japanners weten ook waarover ze praten: vissers gaven het natuurverschijnsel de naam ”lange golf (nami) in de haven (tsu)” omdat ze de gevolgen van de vloedgolf pas zagen wanneer ze na een vistocht terugkeerden in de haven. Op volle zee valt een tsunami nauwelijks op, maar het effect op het land is vaak des te groter.
In de twintigste eeuw deden zich 141 verwoestende tsunami’s voor, terwijl nog eens zo’n 900 van deze golven nauwelijks schade veroorzaakten. Een recente krachtige tsunami kostte in 1998 bij Papoea-Nieuw-Guinea aan 2000 mensen het leven.
Een tsunami wordt vrijwel altijd veroorzaakt door een aardbeving, hoewel ook een onderzeese vulkaanuitbarsting of landverschuiving de oorzaak kan vormen. Toen de Indonesische vulkaan Krakatau in 1883 uitbarstte, overspoelde een krachtige hoge golf de eilanden Java en Sumatra. Daarbij vielen 36.000 doden.
Diepte
Of bij een aardbeving al dan niet een tsunami zal ontstaan, is sterk afhankelijk van de diepte van de beving. Ligt die op minder dan 70 kilometer, dan is er een reëel gevaar. Toch genereert niet elke ondiepe beving een tsunami.
Een tweede belangrijke voorwaarde is: verticale verplaatsing van de zeebodem. Daarom ontstaan veel tsunami’s op de grens tussen twee aardplaten. Als bij de beving de ene plaat hoger komt te liggen dan de andere, levert dat op zee ook aan de oppervlakte een belangrijk hoogteverschil op: dat zet een tsunami in gang, omdat water altijd naar de laagste plaats zal stromen.
De tsunami van tweede kerstdag ontstond voor de kust van Sumatra, op de grens tussen de Indo-Australische plaat en de Euraziatische. De Indo-Australische plaat rukt jaarlijks 6 centimeter op naar het noorden en drukt daarbij voortdurend tegen de Euraziatische, wat vanaf 1500 bijna 2200 bevingen tot gevolg had.
De beving van tweede kerstdag was een uitzonderlijk krachtige in deze reeks, waarbij de aardkorst zich over een afstand van 1200 kilometer langs de breuklijn en tot op 50 kilometer diepte herschikte. Belangrijkste detail daarbij was dat er op het breukvlak over een lengte van honderden kilometers 10 meter hoogteverschil ontstond.
De snelheid van de tsunami is sterk afhankelijk van de diepte van de oceaan. Bij een diepte van 7000 meter kan die oplopen tot boven de 900 kilometer per uur, terwijl bij een diepte van 2000 meter de snelheid iets boven de 500 blijft steken. Bij 200 meter diepte zal de golf zich ’slechts’ met 160 kilometer per uur verplaatsen. Als de zee voor de kust ondieper wordt, verliest de tsunami aanzienlijk snelheid, terwijl er van de energie nog niets verloren gaat. Bij het oplopen op de kust kunnen daardoor golven tot 30 meter hoogte ontstaan.
Meestal verschijnt een tsunami echter niet als een muur van water, maar als een bijzonder snel opkomende extreem hoge vloed. Als eerst het golfdal arriveert, trekt het water zich aanvankelijk terug. Dit kan mensen uitnodigen verder de zee in te gaan, wat vaak dodelijke gevolgen heeft als de golftop toeslaat.