Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep
  Algemeen

Principes in de praktijk

 Het Reformatorisch Dagblad voerde een onderzoek uit dat zich richt op de identiteit van reformatorische scholen. Foto RD, Henk Visscher

Het Reformatorisch Dagblad voerde een onderzoek uit dat zich richt op de identiteit van reformatorische scholen. Foto RD, Henk Visscher

Veertig jaar geleden werden de eerste stappen gezet naar de stichting van reformatorische scholengemeenschappen voor middelbaar onderwijs. Klein begonnen, groot gegroeid. Steeds meer studierichtingen en nevenvestigingen werden toegevoegd. Het leerlingenaantal steeg tot een hoogte die in geen enkele prognose verondersteld werd. Waar staan de scholen na veertig jaar?
Kwalitatief scoren de reformatorische scholen goed. Keer op keer krijgen ze een positieve beoordeling in onderzoeken van de Onderwijsinspectie en van media. De Leidse vestiging van het Driestar College kreeg vorig jaar het predikaat ”excellent” en het Calvijn College in Goes stond dit jaar bovenaan in het Elsevieronderzoek. Ook het middelbaar en het hoger beroepsonderwijs doen het goed. Het Hoornbeeck College is de beste brede mbo-instelling van Nederland, volgens de ”Keuzegids MBO 2010”. En hogeschool Driestar Educatief bleek dit jaar de beste pabo te zijn.

Het Reformatorisch Dagblad voerde een onderzoek uit dat zich meer op de identiteit richt. Hoe staan docenten en leerlingen daar tegenover en welke ontwikkelingen zien ze binnen hun school? Onder de docenten blijkt daarover veel bezorgdheid te bestaan. Een leraar vat de teneur van veel reacties samen: „Een lossere houding met weinig stijl in kleding en gedrag. Dat is de collega’s niet kwalijk te nemen: in een dergelijke cultuur zijn ze opgegroeid. De gedegen vorming in cultuur en religie gaat ontbreken. Er treedt een geloofsbeleving op die de oprichters van onze school vreemd was. De noodzaak van wedergeboorte maakt plaats voor de vanzelfsprekendheid van geloofsbeleving. Ik waardeer dergelijke ontwikkelingen negatief. Er vindt uitholling plaats. De grootste dreiging is niet de buitenwereld, maar de toenemende oppervlakkigheid en wereldgelijkvormigheid.”

Veel leraren reppen over de vreugde die ze in hun werk hebben, over het zich thuis voelen op hun school. „Ondanks alle commentaar ben ik blij met mijn school”, noteert een leraar. „Het contact met mijn leerlingen is goed. Er gebeuren bijna dagelijks heel mooie dingen. Leerlingen leggen hun problemen, maar ook hun uitreddingen, bijna open op tafel. Dat is de positieve kant van het mondiger worden. Er valt nog veel te verbeteren; er worden grote fouten gemaakt; ik zou graag meer geestelijk leven bespeuren, maar als je bedenkt dat je elke dag met gevallen mensen omgaat, gebeuren er ontzaglijk mooie dingen. Dan zijn er regelmatig momenten die je wilt koesteren. Verder denk ik dat het onderwijs zou verbeteren als de docenten zich meer bewust waren voortdurend te handelen voor het aangezicht des Heeren, coram Deo.”


Veranderingen

Volgens het onderzoek signaleert 75 procent van de docenten binnen het docentenkorps veranderingen met betrekking tot principiële zaken. De enquête levert een stroom aan verontruste opmerkingen op.

„Het reformatorische schuift richting evangelisch. Dit is een slechte zaak, want dan is er geen verschil meer met de oude pc-school van weleer.”

„De achterban is breder geworden. Een deel ervan verandert met de tijd mee, een ander deel houdt krampachtig aan oude formats vast.”

„Steeds meer collega’s die niet veel meer moeten hebben van wat de eerste docenten dreef om te werken in het reformatorisch onderwijs. Het moet allemaal niet zo zwaar meer. Ik vind dit zelf zo erg, dat ik me ook steeds minder thuis voel op deze ‘reformatorische’ school.”

„Vroeger was het ondenkbaar dat collega’s thuis films of voetbalwedstrijden bekijken (via tv of dvd) en daar in de personeelskamer vrolijk over spreken met elkaar. Dit is een teken aan de wand, denk ik. Zelfs werken voor school op zondag komt incidenteel voor.”

„De beleving van het werkzaam zijn in het reformatorisch onderwijs mis ik steeds meer. Wat zegt het ons nog dat we die plaats gekregen hebben?”

„De generatie die meegemaakt heeft dat onze scholen uit de nood geboren zijn, begint te slinken op school. Er is een jongere generatie die die nood nooit gevoeld heeft. Verder zijn die jongere docenten vaak ook losser in de omgang met de leerlingen, doordat ze in hun jeugd dat zelf hebben zien veranderen. Hiermee krijg je ook een degradatie in de gezagsverhoudingen.”

„Met groot verdriet moet ik constateren dat door de verbreding van de gereformeerde gezindte ook de breedte van de opvattingen binnen het docentenkorps verandert. Er zijn twee punten die mij met name zorgen baren: 1. Dode orthodoxie ter rechterzijde, dat wil zeggen docenten zonder levend geloof. 2. Het verbondsautomatisme ter linkerzijde en het sluipende of soms openlijke remonstrantisme dat gewoon uitgedragen wordt. Vaak is dat laatste ook nog onbewust, omdat de verworteling in de gereformeerde belijdenis geheel of gedeeltelijk ontbreekt.”

„Veel docenten stralen qua presentatie en kleding nauwelijks meer de taak uit van gezagsdrager en identificatiefiguur.”

„Ik zie dat collega’s ten aanzien van zaken die vroeger vanzelfsprekend waren, anders gaan denken en leven. Concreet voorbeeld: een collega gaat op zondag in zijn wintersportvakantie ook op de lange latten. Dat vind ik schokkend. Ik heb ook het idee dat het élan om het reformatorisch onderwijs echt van binnenuit te steunen, bij diverse collega’s minder wordt en is dan vroeger. Wat me ook grote zorgen baart, zijn de veranderingen in het denken over Schriftgezag. Met name de discussie rond evolutie en de interpretatie van Genesis knaagt aan de wortels van hoe we de Bijbel zien en welke waarde de Bijbel heeft in ons denken en leven.”

„Bij werving van personeel valt er weinig te kiezen. Er komen dan steeds meer collega’s die zelf uit een andere ‘hoek’ komen. Het op één lijn zitten valt dan weg.”

„Vooral de jongere generatie shopt maar wat op geestelijk gebied (ik generaliseer) en die collega’s staan wel voor de klas en dragen dat, of je het wilt of niet, toch over.”

Anderen zien juist vooruitgang: „Er wordt anders/persoonlijker gesproken over het geloof. Dat waardeer ik zeer.”

„Meer openheid en flexibiliteit.”

„Meer mensen uit evangelische hoek. Ik waardeer dat als positief; het verruimt de blik.”

„De vanzelfsprekendheid van onze zuil is tanend. Positief, omdat er meer besproken en nagedacht wordt over de inhoud van ons christenzijn. Een nadeel is dat het meer ‘onrust’ geeft.”

„Er wordt minder dan voorheen principieel gesteigerd over zaken die in feite niet tot de wezenlijke principes behoren. Dat acht ik winst. ”Prinzipienreiterei” komt overigens nog wel voor, maar is een uitstervende variant van mannetjesmakerij, naar het mij voorkomt, en wordt als zodanig ook vaak ontmaskerd. Gelukkig!”


Toelatingsbeleid docenten

Bijna driekwart van de leraren staat achter het toelatings- en benoemingsbeleid van hun school. De anderen zijn in twee partijen verdeeld: een groep die het beleid te ruim vindt, en anderen die de deur wijder willen openzetten.

Over de benoeming van docenten:

„Het beleid is goed; soms sta ik er alleen van te kijken wat er aangenomen wordt.”

„Vacaturenood was groot. Wat erin resulteerde dat er water bij de wijn wordt gedaan.”

„Ik vind het goed dat er een benoemingscommissie is, maar ik weet niet of de vragen die gesteld worden de juiste zijn om te ontdekken of iemand een leven met God heeft.”

„Alleen beginselvaste mensen benoemen.”

„Over het algemeen tevreden. Begrijp ook dat het vaak moeilijk is doordat er weinig of geen sollicitanten zijn.”

„Ik zie dat een categorie docenten wordt benoemd die een andere visie heeft op bekering, geloof, etc.”

„Stem je SGP, ben je geen lid van de EO en weet je het verschil tussen aanneming en deelachtigmaking, dan is het wel goed. Terwijl een jonge sollicitante die iets over haar geloof vertelt botweg wordt afgewezen omdat dat wel eens gevaarlijk voor de leerlingen zou kunnen zijn. Triest.”

„De gesprekken voor de identiteitsraad mogen vooral niet weggelaten worden. Het is niet alleen noodzakelijk, maar ook een opscherping voor de toekomstige medewerker: het besef dat je een hele verantwoordelijkheid hebt in leer en leven.”

„Er wordt te veel gelet op uiterlijke zaken.”

„Het is erg moeilijk docenten te vinden. Men kiest liever een ander beroep, met een beter imago en een hoger salaris. De school moet blij zijn met de docenten die er zijn. Het gehalte van de meeste docenten is helaas gebaseerd op een EO-achtige basis. Verscherping van beleid zal nauwelijks vruchten afwerpen.”

„Het bestuur is beangstigend. Het staat ook te ver van de sfeer en cultuur op de school zelf. Het bestuur schrikt af en is totaal geen afspiegeling van de dagelijkse omgang met collega’s.”

„Het is gewoon heel moeilijk voor een schoolbestuur om een heel docentenkorps te benoemen van reformatorische identiteit.”

Aanbeveling: „Na aanname een regelmatig terugkomend gesprek over aan identiteit gerelateerde zaken.”


Toelatingsbeleid leerlingen

Ook de toelating van leerlingen roept binnen het docentenkorps veel reacties op:

„Wat meer de wacht betrekken bij de poort zou me welkom zijn. Dus niet automatisch iedereen toelaten die op papier tot de achterban behoort.”

„Tv-bezit bijvoorbeeld heeft een grote impact op leerlingen. Deze leerlingen met tv thuis beïnvloeden sterk de overige leerlingen. Dit geldt eveneens op andere terreinen, zoals kleding, woordgebruik enzovoorts.”

„Er wordt te veel nadruk gelegd op uiterlijke zaken in plaats van relevante geloofskenmerken. Op die manier wordt er naar mijn idee een dubbele moraal gecreëerd. Tijdens de toelatingsgesprekken gaat het er vrij zwaar aan toe en worden er privékwesties aan de orde gesteld die naar mijn idee niets te maken hebben met de vraag of iemand echt een gelovig christen is en thuis zou horen op reformatorisch onderwijs.”

„Onze school gaat hier zeer consciëntieus mee om. Bij twijfelgevallen volgt een gesprek met bestuur etc.”

„Ik zou graag zien dat reformatorische scholen zich openstellen voor ‘andere’ gelovigen. Zij moeten dan natuurlijk wel ondertekenen dat zij akkoord gaan met de schoolregels en geen plaats in een medezeggenschapsraad kunnen innemen. Als dat mogelijk is, zou reformatorisch onderwijs een heel goede evangelisatiemethode zijn.”

„Het is een stroomversnelling waar we in zitten, het tij is niet te keren. Alleen de doorwerking van Gods Geest kan vernieuwing teweegbrengen.”

„Juist die ouders die niet tot onze achterban behoren en een toelatingsgesprek krijgen, sturen kinderen naar school die een zoutend zout zijn! Het is maar zelden dat er met die kinderen iets niet goed gaat in principieel opzicht.”

„Als je staat voor een reformatorische school, moet je het toelatingsbeleid daarop toespitsen.”

„Ik vind dat er op een goede manier wordt omgegaan met de toelating van leerlingen. Hoewel dit wel verschilt per directielid. Jammer dat er binnen de directie zulke verschillende opvattingen zijn op dit gebied.”

„Zo gauw er eerder een kind van een gezin op school heeft gezeten, worden de andere kinderen ook toegelaten. Dit heeft tot gevolg dat je iemand van de pinkstergemeente in de klas hebt, omdat de ouders eerder tot de Ger. Gem. behoorden.”

„Op papier klopt het. In de praktijk ruimer. Enerzijds vrede mee: we leven niet op een eiland. Anderzijds dreigen eigen leerlingen in de knel te komen. Nimmer oplosbaar spanningsveld.”


Verschuivingen

Sterker nog dan binnen hun eigen korps (75 procent) constateren de docenten principiële verschuivingen binnen de leerlingenpopulatie (92 procent). Dat willen ze de leerlingen niet direct verwijten; de ouders zijn er vaak debet aan, en –ze steken de hand in eigen boezem– de leraren ook.

Veel docenten tonen zich verontrust over de verschuivingen in leer en levensstijl onder de leerlingen. Daarbij wordt gewezen op evangelische opvattingen, weinig selectief mediagebruik, minder bedekkende kleding, ruig of seksueel getint taalgebruik, consumptisme en gerichtheid op vermaak. Er klinken ook positievere geluiden.

„Het type leerling dat 25 jaar geleden de norm was (degelijk, eenvoudig) begint een bezienswaardigheid te worden en loopt het risico gepest te worden. Heel triest!”

„Naar een bioscoop gaan is geen enkel probleem voor het gros van de leerlingen. Ook wat betreft seksualiteit zie je grenzen vervagen.”

„Wereldgelijkvormig en ongeconcentreerd. ”

„Uitdagende kleding bij meisjes, lange haardracht bij jongens. Een verseksualiseerde schoolcultuur.”

„Leerlingen zijn sterker gericht op consumptiegoederen die bij hun groep horen (mp3, telefoon, gameboy, pc). Een leerling die serieus gericht is op de waaroms van het leven en hoe hij daar inhoud aan zal geven, wordt steeds schaarser.”

„Leerlingen blijken door ‘de tijdgeest’ dingen normaal te vinden. Bijvoorbeeld: „Ongewenst zwanger is eigen schuld, er zijn toch voorbehoedsmiddelen?” (zei de hele klas bij een voorlichtingsles van de VBOK).”

Maar er wordt niet alleen naar de jongeren gekeken: „Ik wil leerlingen niet verwijten wat in de opvoeding van ouders misgaat. Eén voorbeeld ter illustratie: enkele weken geleden kreeg ik een briefje van een ouder: „Mijn zoon heeft zijn overhoring voor vandaag niet kunnen leren, want hij mocht samen met mij een belangrijke wedstrijd van de Champions League kijken.” Niet te begrijpen! Dit kwam een aantal jaren geleden niet voor. Andere voorbeelden: De muziek die ook ouders luisteren, de woorden die ook ouders gebruiken, het ontbreken van gezagsrelatie tussen ouder en kind. Soms spreek ik leerlingen op bovenstaande zaken aan, en dan hoor ik vaak: Ja maar, dat mag ik thuis wel.”

Niet alle docenten die de vragenlijst invulden, schatten de ontwikkelingen binnen de leerlingenpopulatie negatief in: „Leerlingen zijn opener en minder kerkistisch.”

„Meer leerlingen uit evangelische kringen, die hun geloof anders beleven. Dat is wel een verrijking.”

„Als je de goede snaar weet te pakken, zijn ze individueel (niet in een groepje) goed bereikbaar.”


Omgang

De omgang met leerlingen is duidelijk veranderd, vindt 88 procent van de docenten. De jongeren zijn mondiger, drukker, opener en directer geworden; gezag is minder vanzelfsprekend, zo wordt in tal van reacties gesteld.

De openheid van leerlingen heeft positieve kanten, maar het algemene oordeel over de gesignaleerde mentaliteitsverandering is negatief: „Binnen het reformatorisch onderwijs wordt op dit moment de maatschappelijke verandering van de jaren 80 en 90 waargenomen. Veel drukte en praatjes, weinig werklust. Veel ouders hebben weinig grip op hun kinderen en de school heeft niet goed een antwoord op deze ontwikkeling. De structuur en de orde ontbreken ten enen male. Leerlingen roepen bij elke correctie de docent ter verantwoording en vinden veel dingen die niet normaal zijn wel normaal. Eten en drinken tijdens de les, gewoon van hun plaats lopen, discussie beginnen, uitdagen enzovoort. Ik waardeer dat niet positief. Deze ontwikkeling hebben het openbaar en het protestants-christelijk onderwijs ook doorgemaakt, maar daar is er allang mee afgerekend. Het reformatorisch onderwijs draalt en twijfelt. Alles moet leuk zijn en dat kan niet.”

Een van de leraren bromt over zijn collega’s: „Te soepel met regels en veel nieuwe docenten gaan te amicaal met leerlingen om.” „De omgang met de leerlingen is informeler geworden. Overigens vind ik de omgang met leerlingen net zo makkelijk (of moeilijk) als dertig jaar geleden.”

„De leerlingen hebben het druk, er is zo veel concurrentie buiten school via de moderne media. Leerlingen zijn open, geïnteresseerd in de mensen om hen heen, maar wel oppervlakkiger. We hebben een grotere taak om het credo ”wel in de wereld, maar niet van de wereld” in te slijpen.”

„De afstand tussen docent en leerling wordt kleiner. Er is soms weinig respect voor een ouder en/of docent. Ook de wereldgelijkvormigheid neemt toe. Duidelijk te zien in de kleding en te horen aan het taalgebruik.”

„De leerlingen zijn directer geworden, opener, wat ik als positieve punten zie. Daarnaast zijn ze ook een stuk vrijer geworden, in de zin van brutaler. Men zegt gewoon maar alles, „dat moet toch kunnen.” Verder worden ook onze grenzen verlegd in het steeds meer accepteren van een bepaalde haardracht en van bepaalde kleding. Soms verbaas je je erover dat leerlingen met een dergelijke uitstraling ook naar het refo-onderwijs komen, c.q. gestuurd worden door hun ouders. Staan ouders wel achter de reformatorische identiteit van de school?”


Identiteit

Van de docenten geeft 57 procent aan geheel achter de identiteit van de school te staan en 40 procent grotendeels.

Eveneens 57 procent zegt dat zijn eigen gedachten over de identiteit dezelfde zijn gebleven. De anderen zijn ruimer gaan denken, of juist niet: „Eerst zocht ik de marges op binnen het onderwijs, nu stel ik duidelijk grenzen vanuit Bijbels perspectief, die duidelijk enger liggen dan hoe ik het vroeger wilde.”

„Eerder was ik nog wel eens zwart-wit. Bepaalde dingen begreep ik niet. Nu besef ik dat het moeilijk is om voor leerlingen met verschillende achtergronden in de leeftijd 12 tot 18 een eenduidige lijn te trekken.”

„Ik ben meer de waarde en de noodzaak van verworteling in de gereformeerde belijdenis gaan inzien, juist doordat ik die steeds meer zie wegvallen.”

„Door zelf te groeien in geloof zijn bijzaken nog nadrukkelijker bijzaken geworden.”

„Ik ben van vrolijk vrijgemaakt degelijk gereformeerd geworden.”

„Ik ontdek steeds weer waar het in het Woord van God over gaat. Dan gaat het niet over wetjes en regeltjes, maar over het werken in Gods Koninkrijk.”

Zaken die sommige docenten versoepeld zouden willen zien, zijn bijvoorbeeld het toelatingsbeleid, de kledingregels, „het star vasthouden aan niet-ritmisch psalmzingen en Statenvertaling lezen”, het gebruik van internetfiltering, de afwijzing van videogebruik. „Het lijkt vaak alsof school ‘vastzit’ aan regels en eisen van buitenaf. De focus ligt veel meer op: hoe houden we alle partijen (en dan vooral rechts) tevreden, dan op: hoe kunnen we Gods liefde uitstralen naar onze jongeren? Iets wat naar mijn mening veel belangrijker is dan wat dan ook!”

Soms is de keuze pragmatisch: „Ik zou bepaalde kledingregels loslaten, omdat ze niet te handhaven zijn.”

Voor anderen zijn deze opvattingen van collega’s juist reden tot ernstige bezorgdheid. Er wordt te veel gedoogd, vindt een docent: „Onder andere is regel: geen opmaak bij meisjes, geen legging, geen rok boven de knie, maar het gaat op grote schaal gewoon door. Wie kijkt ernaar? Als ik als surveillant mensen op die dingen aanspreek: voortdurend conflicten: grote mond, doorverwijzen, hoor en wederhoor. Ik lig er wakker van. Gevolg: van al die taken ontheven. Voor eigen gemoedsrust, en voor minder problemen voor de leiding op dit gebied: wat niet gemeld wordt, bestaat immers niet…”

„Aan het begin van mijn schoolloopbaan had ik meer het idee dat het een veilige voortzetting van het gezin was. Dat is niet (meer) zo. Ook op onze scholen kom ik van alles tegen. Als het met wederzijds respect bijdraagt tot een verantwoorde vorming zou het niet nadelig hoeven te zijn. Maar in de praktijk komt het vaak tot elkaar be- en veroordelen.”

„Je gaat, als je niet oppast, steeds meer zaken relativeren. Zeer gevaarlijk.” Een ander noemt als gevaren: „Makkelijker worden. Opvoedingsmoeheid.”

„Ook als reformatorische school moet je meegaan in de ontwikkelingen, maar wel binnen de grenzen.”

„Ik heb twintig jaar gewerkt op een christelijke mavo. Dan was je alert op de ontwikkelingen. Nu zien we op een reformatorische school eenzelfde ontwikkeling. De achterban wordt kritischer. De vanzelfsprekendheden van dertig jaar geleden zijn niet meer voor ieder hetzelfde. Anderzijds: als je de leerlingen mag voorhouden hoe een mens door God tot God bekeerd wordt, dan heb je aandacht. Ze vragen om duidelijkheid. Dat is een goede zaak.”

„Wij zijn als scholen onze beginselen aan het aanpassen, om zo onze scholen vol te houden. Ik denk dat er te veel water bij de wijn gedaan wordt. Scherp de regels maar eens aan en laat het leerlingenaantal maar eens flink teruglopen.”

„Je ziet een enorme verschuiving in onze gezindte en dat merken we in onze scholen. Veel verwarring in de kerken, veel verwarring in de harten. We moeten overtuigd zijn/worden van de noodzaak van een innerlijke verandering. Psalm 78 moet ons uitgangspunt zijn en blijven.”


Principiële vorming

Van de leerlingen vindt 90 procent dat zij op school voldoende principiële vorming ontvangen. Een greep uit de citaten.

„Je weet dat ze om je geven en je behoud op het oog hebben.”

„De meeste leraren laten ook een stukje eigen principe over, in plaats van alles af te kraken.”

„Het verschilt heel erg per docent. De een is toch net iets lichter qua kerk en dergelijke dan de ander. Daardoor leer je aan de andere kant wel weer heel goed om vanuit die verschillende meningen je eigen mening te vormen.”

„Het hangt er een beetje om. Bepaalde leraren dringen het zo op en je moet het met ze eens zijn. Ik zelf denk volgens hen vaak te licht, en dan kijken ze me wel eens heel raar aan. Dit is natuurlijk niet bij alle leraren, want met sommigen kan ik wel ontzettend goed praten!!”

„Ik merk wel dat leraren die het niet met de regels eens zijn, zich toch aanpassen en ook duidelijk zijn tegen leerlingen.”

„Er wordt rekening met de Bijbel gehouden. Bijvoorbeeld met geschiedenis, dan hebben we een christelijk boek. Maar er wordt wel de leer van Darwin geleerd, anders kennen onze kinderen (als we die mogen krijgen) er niets meer van en snappen ze niet waar het over gaat als het in de krant staat.”

„We worden niet ‘getraind’ om uit te kunnen leggen wat ons geloof nu eigenlijk inhoudt.”

„Je wordt goed geïnformeerd over alle keuzes die je moet maken, en de Bijbel wordt daarin betrokken.”

„Nou we denken natuurlijk allemaal wel een beetje hetzelfde er over omdat we refomaririch (sic) zijn.”

„Ze gaan uit van de Bijbel, maar er is wel ruimte om te discussiëren met elkaar.”

„Het enige goede standpunt is het reformatorische standpunt, een andere optie is er niet. Dat vind ik slecht.”

„Sommige leraren leggen hun principes iets te veel op aan leerlingen. Vooral godsdienstleraren. Die hebben de neiging om kerkgenootschappen af te kraken.”

„De leraren weten zich vaak geen raad als er door leerlingen opeens open gesproken wordt over verschillende diepgaande gedachten.”

Van de leerlingen is 91 procent van mening dat de docenten helemaal achter de identiteit van de school staan. Waaraan dat wel of niet te merken is?

„Gewoon aan hoe ze zijn.”

„Gebed, lesopening, klassikale gesprekken.”

„Je mag op school eigenlijk geen make-up en korte rokken, maar de leraressen hebben het zelf wel!!!!!”

„Ze trekken niet één lijn als het gaat om bepaalde beleiden.” (sic)

„Elke docent die met leerlingen de dag moet beginnen doet dit met overtuiging.”

„In de educatie proberen ze dit ook te verwerken. Nu is dat bij geschiedenis wel makkelijker dan bij wiskunde of economie.”

„De een zegt wel wat van een krachtterm en de ander doet net of-ie het niet hoort.”

„Ze handhaven de regels van school, maar ze zeggen het ook wel eens als ze het er niet mee eens zijn.”

„Ze zijn altijd serieus als we over God en Zijn Woord praten.”

„Je merkt gewoon dat niet alle docenten over bepaalde zaken dezelfde opvattingen hebben. Dat geeft niet, zolang de hoofdlijn maar door iedereen gerespecteerd wordt.”

„Sommige leraren praten onder het bidden net alsof ze tegen een vriendje praten, dat vind ik niet kunnen, maar de meesten gaan wel heel erg respectvol met de Heere om.”


Te streng

Te streng, vindt 50 procent van de leerlingen de regels op het gebied van levensstijl; 40 procent vindt de regels goed, 10 procent juist niet streng genoeg.

Ruim de helft constateert ook verschillen tussen de regels van thuis en school. Met name de kledingregels op school roepen nogal wat reacties op. Woorden als „onzin” en „overdreven” zijn niet van de lucht.

„Met een broek hebben meisjes alleen maar minder kans op inkijk maar ik vind het zelf niet erg, maar wel een beetje overdreven soms, vooral de mobieltjes, ze –de docenten– hebben er zelf ook allemaal een.”

„Er zijn goede regels en ik vind ze niet al te streng. Maar wel jammer dat niet iedereen zich eraan houdt.”

„Als je een legging aan mag, dan willen meiden ook gauw weer een broek aan.”

„Je mag toch best wel eens bellen in de pauze met je mobieltje? Ze hebben die niet voor niks uitgevonden…”

„Ik vind sms’en onder de les geen probleem. Bellen wordt een beetje lastig, want als iedereen gaat bellen onder de les wordt het een zooitje. Roken zie ik niet als een probleem. Het mag niet op school, maar waarom zijn er voor de leraren dan wel rookkelders?”

„Ze vinden al snel de hals te laag, terwijl dat heel erg meevalt!”

„Je hebt gekozen voor een reformatorische school, dan hoor je de regels ook te respecteren.”

„Ik vind het niet leuk dat je geen legging aan mag. Van mijn ouders mag het wel, maar van school niet. Ik begrijp wel dat je geen mobieltje mag af laten gaan. Maar héél soms kan toch geen kwaad?”

„Ik vind het erg goed dat er kledingregels zijn. Toch lopen er nog wel mensen rond waarvan je denkt: Hm… daar zou wel wat van gezegd mogen worden. Het roken is bij ons verboden, dat mag alleen buiten het hek. Op gedrag en taalgebruik wordt goed gelet en daar word je ook op aangesproken.”

„Er zijn leraren die uitgebreid het Bijbelgedeelte bespreken. Maar sommigen raffelen het maar een beetje af om maar te beginnen met de les. Dan vind ik het fijn als er leraren zijn die er echt voor gaan en dat goed door willen nemen met de leerlingen.”

Dit is het eerste deel in een serie over een onderzoek op de reformatorische middelbare scholen.


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Gerelateerde artikelen