Leven in Bari, dat is dansen naar de pijpen van de natuur. Je overgeven aan de nacht zodra de zon het licht uitdoet. En vanuit je hut luisteren naar tropische hoosbuien of naar het rollen van de donder. En zodra dat is weggeëbd je verbazen over de kakofonie die het nachtelijk ongedierte produceert. Leven in Bari is op je hoede zijn voor de vele gifslangen, het is lijden aan ondervoeding, aan ziekten als malaria en tuberculose. Het is ook sidderen voor nachtelijke geesten en demonen. Want er mag dan een heus kerkgebouw in Bari staan, het heidendom heeft zich er nog lang niet gewonnen gegeven.
Het is op deze onmogelijke plek dat broeder Kosai iedere dag zijn werk doet. Zo is hij naast evangelist ook dorpsonderwijzer. Iedere ochtend staat hij voor zijn klasje van vijftien leerlingen. Kinderen lezen en schrijven bijbrengen, het is zijn lust en zijn leven. Want de tijd dat Papoea’s vreemdelingen waren in eigen land, overgeleverd aan de ’gladharen’, de sluwe praatjesmakers van Java, heeft lang genoeg geduurd. En dat geldt ook voor de tijd dat leergierige en getalenteerde kinderen hun leven moesten slijten bij de varkens, simpelweg omdat ze geen kans op onderwijs hadden. Kosai draagt zijn steentje bij om hen nu wel verder te helpen.
En dan zijn er nog de moeders die af en toe aanhaken bij zijn lessen. Wie durft te beweren dat die beter thuis kunnen blijven, kan rekenen op fel protest van Kosai. Zijn eigen vrouw had hij als leerling en die leest nu iedere avond de kinderen voor uit de Bijbel. Is er een betere manier om Bari uit de greep van het heidense geloof te houden?
Alleen jammer dat Kosai voor dit prachtige werk geen plek heeft. Dagelijks zit hij met zijn klasje op de vloer van de kerkzaal, bij gebrek aan een klaslokaal. Tobben dus, daar in Bari. Eigenlijk van de zotte dat deze diensknecht zo moet aanmodderen. Maar eens wordt dat anders. Nu lijkt het allemaal zo nietig en vergeten, er komt een dag dat Kosai wel feestelijk zal worden onthaald. Niet vanwege een Nobelprijs of lintje, en ook niet omdat Kosai in zichzelf dat zo waard is. Wel omdat onze genadige God hem recht zal doen. Dat weten we uit Matthéüs 25: 21: „Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht! Over weinig zijt gij getrouw geweest; over veel zal ik u zetten; ga in, in de vreugde uws heeren.”