Dom en slecht
De recensies en de eerste berichten stimuleerden mij niet om De Da Vinci Code van Dan Brown te gaan lezen. Langzamerhand weet ik het wel: er is een samenzwering gaande. De kerk probeert al eeuwen de echte waarheid over Jezus onder het vloerkleed te schuiven en te houden en vooral het Vaticaan schuwt daarbij omkoperij noch moord, maar gelukkig, de edele ridders van het alternatieve circuit hebben bezit en leven veil om de echte waarheid aan het licht te brengen. Dit is een concept dat op’t ogenblik gegarandeerd zijn duizenden verslaat.
Ik had er dus geen zin in, want ik had genoeg gelezen van en over Robert H. Eisenman en zijn wilde Qumran-theorieën en Thijs Voskuilen die beweert dat Paulus een spion voor de Romeinen was en wel zo’n goeie spion, dat hij vrijwel alle sporen daarvan heeft uitgewist en alleen door de scherpzinnigheid van de schrijver toch nog postuum ontmaskerd kon worden. Uiteindelijk is het in zijn sensatiezucht net zulke vervelende en vermoeiende lectuur als de Story en de Privé. Je moet er van houden.
Kortom, ik vind dit een dom en slecht boek. Dat het dom is, is aantoonbaar: de schrijver vertelt op p.59 dat één van zijn personages, een verwaarloosde jongen, zichzelf met behulp van oude kranten leert lezen. Dat dit een prestatie is die de ontcijfering van de steen van Rosette royaal overtreft, zal Brown wel ontgaan zijn, maar het is geen uitglijder, eerder volstrekt representatief voor de rest van het boek. Nog een bewijs van de domheid van dit boek: op p.285 wordt een voorbeeld gegeven van gecodeerd schrift in zijn meest simpele vorm: de letters worden van rechts naar links geschreven, een vorm die wij als kinderen al kenden en praktiseerden. Elke sukkel ziet aan het op p.285 gegeven voorbeeld dat het om spiegelschrift gaat, maar de ”deskundigen” van Brown, een professor uit Harvard en een Franse cryptologe doen er een poos over voor ze het door hebben. Dit zal de lezer ongetwijfeld een goed gevoel geven.
Ik heb met dit boek een slecht weekend doorgebracht. Waarom het dan toch gelezen? Omdat ik tot mijn verbazing merk dat veel mensen om mij heen, in en buiten de kerk, menen dat het boek ergens op slaat en wel volgens de algemeen erkende waar-rook-is-is-vuur-theorie. Er zal wel iets van waar zijn, hoor ik nog wel eens. In het weekend dat ik het boek las, zag ik Karin Bloemen (niet echt dom volgens mij) op de T.V. Ze had het boek gelezen. Wat ze ervan vond? ”Wel, de kerk schijnt in de loop van de tijd nogal wat onder het vloerkleed te hebben geveegd” zei ze. Vandaar dit artikel.
Over het boek als roman is natuurlijk ook veel te zeggen, maar dat laat ik aan de literatuurcritici over. Het lijkt mij een afleggertje van Umberto Eco, De slinger van Foucault. Wat daar knap wordt uitgewerkt in een postmodern kader van de meerduidigheid van woorden en feiten, wordt bij Brown tot een nieuwe dogmatiek: ”de dogmatiek der heidenen” zou ik dit boek willen noemen. Dat wil zeggen: de oer-waarheid over man en vrouw, die door het christendom verduisterd is, wordt door Brown herondekt. Deze waarheid komt trouwens opvallend overeen met de New Age-ideologie van de laatste decennia. Psychologisch komen de figuren nergens uit de verf en blijven het bleke schimmen. Als je zijn dogmatiek niet lust, houd je alleen de plot over en dat vind ik wat mager voor een boek.
Brown heeft, om zijn theorieën te verkondigen, de vorm van de roman gekozen. Die vorm geeft veel vrijheid. Je kunt één van je personen theorieën laten uitspreken die het standpunt van de schrijver vertolken, terwijl je nooit gepakt kunt worden op de enormiteiten die erin zitten. Want het was maar de mening van Mr. X! Nu speelt Brown echter een veel gevaarlijker spel. Voorin vinden we het zinnetje: ”Alle beschrijvingen van kunstwerken, architectuur, documenten en geheime rituelen in dit boek zijn waarheidsgetrouw”. ”Zie je wel”, zullen argeloze lezers zeggen, ”het is allemaal naar waarheid zo gebeurd”. Hierop is enige correctie wel nodig.
De hoofdlijn van het boek
Laat ik, voor ik daaraan begin, kort de hoofdlijn van het boek weergeven. Ik laat de plot liggen (het boek kan ook als detective gelezen worden) en richt me op de ”waarheid” die het boek over Jezus en Maria Magdalena aan het licht brengt. Deze waarheid over Jezus is heel anders dan de kerk altijd heeft beweerd. Hij had een seksuele relatie met Maria Magdalena, waaruit een dochter geboren is. Er loopt een koningslijn van Jezus en Maria Magdalena naar de Merovingers en verder naar Godfried van Bouillon, de kruisvaarder, en nog verder naar onze tijd en wel naar Sophie, de genoemde Franse cryptologe, één van de hoofdpersonen van het boek.
De echte evangeliën (het Evangelie volgens Filippus bijvoorbeeld) die in Nag-Hammadi en Qumran (! p.226, 236) zijn gevonden, bewijzen de waarheid over Jezus en Maria Magdalena. Geholpen door het Vaticaan heeft Keizer Constantijn, toen hij de canon vaststelde (!), de echte authentieke evangeliën verboden en laten verbranden en daarvoor in de plaats de officiële, maar door de kerk vervalste evangeliën gezet (p.226). De kerk kon, in haar vijandschap tegenover de seksualiteit, de waarheid namelijk niet velen. Maria Magdalena is het symbool van het eeuwig vrouwelijke, van het vitale heidendom, van de goddelijke seksualiteit die zij met Jezus vierde. Die waarheid is, in de vorm van oude documenten, eeuwen verborgen gebleven op de plaats van de oude tempel van Salomo en pas door de kruisridders in de 11e eeuw weer ontdekt. De priorij van Sion, gelieerd aan de tempeliers, bewaakten dit geheim eeuwenlang om het op het beslissende moment openbaar te maken (p.247).
Brown put hier klaarblijkelijk uit het werk van Michael Baigent, Richard Leigh en Henry Lincoln, The Holy Blood and the Holy Grail. Anagrammatisch is de achternaam van Leigh Teabing, één van de ”geleerden” uit De Da Vinci Code, in de namen van één van de schrijvers van dit boek terug te vinden.
Waarom is het boek zo’n onvoorstelbare kaskraker geworden? Het detective-karakter ervan kan dit niet helemaal verklaren. Het moet ermee te maken hebben dat Brown refereert aan allerlei gevoelens en beseffen die in de stroom van de New Age-ideologie meedrijven: wie zich weet te ontdoen van de dogma’s van de christelijke kerk vindt occulte kennis, oerinzichten uit de goede oude tijd van voor het christendom, het ware geheim van het leven, door het Vaticaan eeuwen verborgen gehouden, maar nu niet langer meer te verdonkeremanen. Brown maakt daarbij gebruik van een oude christelijke romanvorm: de zoektocht naar de graal. In zijn boek wordt de graal op verschillende manieren geduid namelijk als de graftombe van Maria Magdalena en ook wel als haar baarmoeder, symbool van het eeuwig vrouwelijke.
Ik wil in dit artikel laten zien wat er niet klopt van de wilde theorieën van Brown. Dat wil zeggen, ik stip een paar dingen aan. De enormiteiten over de middeleeuwse en nieuwere geschiedenis laat ik aan de historici over. Ik beperk me tot wat hij zegt over het ontstaan van het christendom en met name tot de verhouding van Jezus met Maria Magdalena. Daarbij wil ik dit punt van Brown omvormen tot een vraag: is het mogelijk dat Jezus getrouwd was? Is dat, gezien de bronnen die we over Jezus hebben en wat we over zijn tijd weten, denkbaar? En zo ja, zou er dan veel aan ons geloof veranderen? Dat lijken me zinnige vragen.
De feiten
Dan Brown heeft ergens de klok van de Bijbel horen slaan, maar weet niet waar de klepel hangt. In plaats dat hij op zoek gaat naar deze klepel gaat hij de graal zoeken. Er is geen beginnen aan om alles te noemen wat niet klopt, maar ik noem de belangrijkste dingen. In Qumran en Nag Hammadi zijn volgens Brown de ware evangeliën ontdekt (p. 236). In de geïllustreerde uitgave staat er heel suggestief een foto van één van de grotten van Qumran bij (p.293). Nu is er veel ontdekt in Qumran, maar geen evangeliën.
Het Evangelie volgens Filippus is volgens Brown ouder en authentieker dan de canonieke evangeliën (p.236). Dat geen serieuze geleerde hem dit zal nazeggen (zie onder), zal Brown niet deren. Ook deze wetenschappers zitten ongetwijfeld in het complot en zullen wel zwijggeld van het Vaticaan krijgen. Als paranoia eenmaal de kop op steekt, stopt ze nergens meer. Brown laat het Vaticaan trouwens al in de vierde eeuw bestaan (p.224, 243) en dat is ook geen aanbeveling voor zijn historisch inzicht.
Jezus werd volgens Brown door eendrachtige samenwerking van het Vaticaan en keizer Constantijn op het concilie van Nicea in 325 postuum benoemd tot God (p. 224). Waarschijnlijk heeft Brown nooit gehoord van Justinus Martyr, die in de tweede eeuw Jezus al God noemt. De ingewikkelde geschiedenis van de canonvorming wordt ook met één handomdraai behandeld: zoals reeds gezegd was het keizer Constantijn die dit regelde en de lijst met boeken van het Nieuwe Testament opstelde (p. 223). Geen historicus, van welk geloof ook, zal dit voor zijn rekening nemen. Al lang voor Constantijn was de nieuwtestamentische canon in hoofdlijnen gereed en nog lang na deze keizer zou er onenigheid blijven over een boek als Openbaring. Bij de schat waarnaar onze ”geleerden” op zoek zijn, horen ook De dagboeken van Magdalena, te weten haar persoonlijk verslag van haar relatie met Jezus en van haar verdere leven in Frankrijk. Bepaalde theorieën van Dan Brown kunnen zich wel beroepen op oude tradities, maar ieder geschoold historicus die kritisch met zijn bronnen omgaat, weet wat zo’n traditie, historisch gezien, waard is. Nogmaals, ik ontzeg de romancier niet het recht om creatief en vrij met zulke motieven om te gaan en er een nieuw verhaal van te maken, maar bedenkelijk is wel de reeds genoemde verzekering dat het historisch klopt wat de schrijver over de genoemde documenten zegt. Verder mag een schrijver natuurlijk onnozele geleerden opvoeren in zijn verhaal, het punt is echter dat hij de indruk wekt dat hij zelf niet door heeft hoe onnozel zijn hoofdfiguren zijn.
Wanneer Brown zijn ”geleerden” college laat geven over de historische onderwerpen, klopt het vrijwel nooit. Kortom, we vinden hier ”flagrante historische discrepanties en fabricaties” (p.226), met veel vertoon van geleerdheid opgedist, die de onwetende lezer moeten imponeren. Een voorbeeld van een detail: bij de uitspraak van het Evangelie volgens Filippus 111 dat Maria Magdalena de ”metgezellin” van Jezus is, zegt de deskundige uit Oxford: ”Zoals elke kenner van het Aramees je zou kunnen vertellen, betekende het woord ’metgezellin’ in die tijd letterlijk ’echtgenote’” (236). In de eerste plaats heeft het Aramees niets met deze tekst te maken, want die hebben wij alleen nog maar in het Koptisch en in de tweede plaats vinden we in deze Koptische tekst het woord koinoonos, een Grieks leenwoord dat deze specifieke betekenis van ”echtgenote” niet heeft. In Luk.5:10 worden Jakobus en Johannes koinoonoi, metgezellen van Petrus genoemd.
Ook als het gaat om de waardering van de seksualiteit weet Brown weer precies de plank mis te slaan. De kerk stelde volgens hem seks voor als duivels, ”als een weerzinwekkende en zondige daad”. ”[D]e hedendaagse godsdiensten schilderen seks af als schandelijk...” (p. 296). Toe maar. Dit zijn de woorden van een professor uit Harvard, die door Brown wordt opgevoerd. Om me te beperken tot het christendom: dit is nooit de leer van de kerk geweest. Haar hoofdvertegenwoordigers hebben de seksualiteit altijd aanvaard als een mogelijkheid van de goede schepping, al is de celibataire staat in de oude kerk vaak hoger ingeschat dan het huwelijk. Cyrillus van Jeruzalem (ong.350nC) zegt het zo: er is zilver (de gehuwde staat) en er is goud (de ongehuwde staat). De kerk heeft bij monde van haar officiële uitspraken en haar grote leermeesters de seksualiteit niet gedemoniseerd, al is het niet te ontkennen dat de lichamelijkheid en de seksualiteit op het tweede plan kwamen, vergeleken met het ”geestelijk leven”. Men leze daarover het boek van een echte geleerde als H.W de Knijff, Venus aan de leiband.
In de christelijke geloofsleer en de kerkgeschiedenis is ook vaak bewust of onbewust geschoven met de feiten en is de waarheid vaak versimpeld ter wille van het gewenste dogmatische of ethische resultaat. Maar het is allemaal niet te vergelijken met wat Dan Brown ons voorzet, of liever, wat hij ons door ”geleerden” uit Harvard en Oxford laat opdissen. Kortom veel onzin in één boek: discrepanties en fabricaties.
Moreel bedenkelijk
Deze flaters zouden ook allemaal niet zo ernstig zijn als ze niet gepaard gingen met ernstige beschuldigingen aan het adres van de kerk. Dat de conservatieve organisatie Opus Dei van een en ander beschuldigd wordt, is nog tot daar aan toe. Ik heb daarover ook wel eens iets gelezen waar ik niet vrolijk van werd. Maar Brown gaat duidelijk verder: ”...de Kerk had een verleden vol bedrog en geweld” (p.121). Er zijn ”oude documenten als wetenschappelijk bewijs dat het Nieuwe Testament een vals getuigenis is” (p.324). ”Het Vaticaan deed natuurlijk, geheel volgens zijn traditie verkeerde informatie te verstrekken, zijn uiterste best om te zorgen dat de inhoud van deze geschriften niet bekend zou worden gemaakt” (p.226). De kerk probeert de documenten, die ”het grote bedrog” onthullen, te vernietigen (p.282). Enz. enz. Ik heb nooit veel aandrang gevoeld om het Vaticaan te verdedigen, maar wel om de leugen te bestrijden.
Het lijkt me allemaal niet zo fraai. Een boek schrijven vol historische onjuistheden, die moeten bewijzen dat de kerk met leugen en geweld zijn machtspositie probeert vast te houden is niet sterk, zeker niet als dat gebeurt om een New Age-achtige ideologie te verkondigen die het alternatief van het christelijk geloof moet zijn. Er is genoeg kritiek te leveren op de kerk, maar op deze manier kan het niet. Dit is dom of slecht of allebei.
De serieuze vraag: was Jezus getrouwd?
De logica van Brown is: Jezus was een Jood en in zijn tijd was het vrijwel ondenkbaar dat een joodse man ongetrouwd was. Dus moet Jezus ook wel getrouwd zijn geweest (p.235). De vervalste evangeliën van de kerk hebben dit natuurlijk weggestopt. Met het eerste deel van deze redenering heeft Brown een punt. In de rabbijnse traditie geldt dat het gebod ”Gaat heen en vermenigvuldigt u” het eerste is van alle geboden die de Torah geeft. Ook wie gelooft dat de vier canonieke evangeliën ons een redelijk betrouwbaar beeld van Jezus schetsen, is nog niet van deze vraag af. Inderdaad lezen we nergens in de evangeliën dat Jezus een vrouw had, maar dat argument is op zich niet doorslaggevend. Een collega leende me het voorbeeld van een boek over Johan Cruijff als voetballer, waarin nergens vermeld wordt dat hij getrouwd is. Dat is logisch, daarover wil het boek namelijk niet vertellen. Zoiets zou op zich ook met de evangeliën het geval kunnen zijn.
De vraag is waarschijnlijk nooit met zekerheid te beantwoorden, zoals zo veel vragen in de geschiedeniswetenschap. Het maximale is doorgaans ”een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid” en daaronder liggen de graden van waarschijnlijk, mogelijk, niet onmogelijk, onwaarschijnlijk enz. Maar daarom is er nog wel iets zinnigs over deze vraag te zeggen. We zullen moeten onderzoeken hoe het huwelijk in het Oude en Nieuwe Testament gewaardeerd werd, of we het celibaat in Jezus’ tijd tegenkomen, of de buitenbijbelse gegevens ons verder kunnen helpen en of de teksten van het Nieuwe Testament toch iets weerspiegelen van Jezus’ al dan niet celibataire staat.
Seksualiteit in het Oude Testament
Het Oude Testament kent niet de gedachte dat de geest meer is dan het lichaam en dat de seksualiteit tot het lagere aardse leven behoort, zoals de kerk dat veelal verkondigd heeft. Het leven in onthouding kent Israël niet, ook een nazireeër, een aan God gewijde mocht trouwen. Hetzelfde geldt voor de priesterstand. Er zijn slechts enkele gevallen in het Oude Testament te noemen van celibatair leven: de dochter van Jefta (Ri.11:38v) en Jeremia (Jer.16:2vv). Bij deze profeet drukt de ongehuwde staat uit dat het land en het volk van Israël geen toekomst hebben en dat het geen tijd is om kinderen te verwekken. Ook is in dit verband Judit te noemen, van wie nadrukkelijk gezegd wordt dat ze na haar eerste huwelijk niet hertrouwt (Judit 8.4; 16.22). De profetes Hanna (Luk.2:36v) heeft haar voorbeeld waarschijnlijk gevolgd.
Israël kent wel een onthouding van tijdelijke aard. De priesters mogen, als zij dienst in de tempel doen, geen omgang met vrouwen hebben (Lev.15:16-18) en voor de krijgers geldt hetzelfde als zij optrekken in de heilige oorlog (1 Sam.21:5vv; 2 Sam.11:11; vgl. Deut. 23:10-11). Dat betekent op geen enkele wijze een miskenning van de seksualiteit, maar wel een grondbesef dat het heilige en het seksuele uit elkaar gehouden moeten worden. Deze onthouding is niet moreel, maar ritueel van aard.
Qumran en het celibaat
De lijnen van het Oude Testament werken waarschijnlijk door in Qumran. Het heilige en het seksuele moeten uit elkaar gehouden worden. De priesterdienst en de krijgsdienst moeten volgens de oudtestamentische richtlijnen in onthouding vervuld worden. Nu verstaat de gemeenschap van Qumran zich als een priesterschap en als een leger van de Heer, dat in een intensivering van de oudtestamentische bepalingen, permanent voor God beschikbaar wil zijn. Het is waarschijnlijk dat deze gerichtheid leidde tot een celibatair bestaan van de gemeenschap van Qumran. Dat het hier niet gaat om een principiële kwestie blijkt uit de informatie van Josephus, die spreekt over Esseense gemeenschappen (waartoe we ook de Qumran-groep tellen) die verspreid over het land woonden en wel gezinnen stichtten (Bell 2.160). Ook hier gaat het niet om een afwijzing of degradatie van de seksualiteit zoals we die later onder hellenistische invloed vinden, maar om een besef dat het seksuele en het rituele uit elkaar gehouden moeten worden.
Verder weten we uit de geschriften van Josephus ook van een zekere Bannus, die als heremiet in de woestijn leefde (Vita 11). Josephus zegt het niet expliciet, maar alles wijst erop dat Bannus, die sterk aan Johannes de Doper doet denken, in volstrekte afzondering en dus celibatair in de woestijn leefde.
En Jezus?
Was Jezus gehuwd? W.E. Phipps heeft hierop een bevestigend antwoord gegeven met het bekende argument dat we ook al bij Brown hoorden: in het jodendom van zijn tijd is het normaal, ja geboden om een gezin te stichten en kinderen te verwekken. De bewijslast ligt volgens hem aan de kant van hen die Jezus’ celibaat poneren.
Het is niet onmogelijk dat Phipps in zijn slotconclusie gelijk heeft, maar wel onwaarschijnlijk. De conclusie dat Jezus, gezien het toenmalige jodendom, wel gehuwd moet zijn geweest, is ondeugdelijk. Zoals vaker trekt men conclusies vanuit het latere rabbijnse jodendom naar Jezus en zijn tijd in plaats van Jezus’ tijd zelf en de contemporaine literatuur te onderzoeken. Bovendien gaat Phipps te gemakkelijk er vanuit dat Jezus zich in alles aan het jodendom van zijn tijd conformeerde. Als dat het geval was, hadden we de evangeliën niet gehad.
Als we kijken naar de wereld waarin Jezus leefde, zien we allereerst in de celibataire gemeenschap van Qumran en verwante groeperingen aanwijzingen dat het in deze periode niet ongewoon of onbekend was om als joodse man celibatair te leven.
In de tweede plaats suggereert het Nieuwe Testament dat ook andere belangrijke figuren van het Nieuwe Testament ongehuwd zijn gebleven, onder andere Paulus. Dat dit voor hem geen principiële kwestie was, blijkt uit 1Kor.9:5. Petrus nam zijn vrouw blijkbaar mee op reis en Paulus claimt het recht om hetzelfde te doen. Hij prijst zijn eigen keus wel aan vanwege het voordeel van een grotere beschikbaarheid voor God en de missionaire dienst (1Kor.7:32vv). Naast deze apostel is nog Johannes de Doper te noemen, van wie ik ook nooit het idee heb gekregen dat hij een geregeld huiselijk leven kende. Dat betekent dat niet alleen in de omgeving van het Nieuwe Testament, maar ook in deze geschriften zelf de celibataire staat voorkomt als een mogelijkheid om God op een bijzondere wijze te dienen.
Zijn er aanwijzingen in de evangeliën dat Jezus de ongehuwde staat ook zo heeft gezien? Inderdaad, Jezus spreekt in Mat.19:12 over mensen ”die zichzelf gesneden hebben, ter wille van het Koninkrijk der hemelen”. In het oude oosten werd de castratie vaak toegepast met een religieus doel. Priesters buiten Israël werden soms ontmand. Jezus gebruikt het woord hier in figuurlijke zin: zij die in onthouding leven ter wille van hun dienst aan God en zijn Koninkrijk. Phipps moet een merkwaardige exegese leveren om hier een andere zin aan te geven. Volgens hem staat dit woord in het kader van Jezus’ rigoureuze verbod om te scheiden. Wie trouwt, krijgt één kans en loopt daarmee het risico, bijvoorbeeld als de partner wegloopt, om levenslang in onthouding te moeten leven. Luz bevestigt in zijn gezaghebbende commentaar op Matteüs nog eens de visie van de overgrote meerderheid der exegeten: het gaat hier om een beslissing om in seksuele onthouding te leven ten behoeve van de dienst aan het Koninkrijk van God.
Het is zeer waarschijnlijk dat Jezus zelf ook zo heeft geleefd. Omdat het thema van de totale toewijding aan God en de bereidheid om daarvoor zelfs mensen die je lief zijn, los te laten zo vaak in het evangelie klinkt, is het boven genoemde, aan Johan Cruijff ontleende argument uiteindelijk toch niet geldig. Gezien de woorden van Jezus, was het te verwachten dat het in de evangeliën vermeld zou staan als Hij wèl getrouwd was geweest. De bewijslast ligt mijns inziens bij hen die beweren dat Jezus getrouwd was.
Latere tradities?
En de latere tradities dan, waar Brown c.s. zich op beroepen? De oogst valt op dit punt erg tegen voor hen die Jezus’ relatie met Maria Magdalena historisch bewezen achten. De niet-canonieke evangeliën zijn duidelijk van later datum dan de canonieke en, historisch gezien, is er geen reden om het beeld dat zij van Jezus schetsen betrouwbaarder te achten dan dat van de vier canonieke evangeliën. Het Evangelie van Tomas is een categorie apart, aangezien dat in zijn vroegste lagen terug kan gaan tot halverwege de tweede eeuw. Maar juist in dit Evangelie wordt negatief over Maria Magdalena gesproken: ”Simon Petrus zei tot hen (= Jezus en de discipelen): ’Laat Maria (= Maria Magdalena) van ons weggaan, want vrouwen zijn het Leven niet waardig,’ Jezus zei: ’Ik zal haar leiden, Ik zal haar mannelijk maken, zodat ook zij een levende geest kan worden, die op jullie, mannen, lijkt’” (Logion 114). Dit is duidelijk vrouwvijandiger dan de volgens Brown door de kerk vervalste evangeliën.
In andere geschriften van de gnostische bibliotheek van Nag Hammadi wordt positiever over Maria Magdalena gesproken. In de Pistis Sophia is zij het inbegrip van de wijsheid en overtreft ze daarin zelfs haar broeders. Van een huwelijk of een andere seksuele relatie met Jezus wordt echter niet gesproken. Het is eerst het Evangelie volgens Filippus, ook één van de werken uit Nag Hammadi, waar we iets vinden dat met veel goede wil zo geïnterpreteerd zou kunnen worden. De tekst waar het om gaat, is niet meer compleet en luidt na reconstructie mogelijk zo: ”En de metgezellin van de [Heer] is Maria Magdalena. [Christus hield] meer van Maria dan van [alle] leerlingen. Hij kuste haar dikwijls op haar [mond]” (111). Wat tussen haken staat is aangevuld en dus niet geheel zeker, hoewel de meeste onderzoekers er wel van uitgaan dat dit de oorspronkelijke tekst benadert.
Toch is het nog maar de vraag of hier sprake is van een huwelijksrelatie tussen Jezus en Maria Magdalena. De discipelen klagen bij de Heer: ”Waarom houdt u meer van haar dan van ons allemaal?” Als Maria Magdalena Jezus’ vrouw was geweest was deze vraag vreemd geweest en had Jezus in zijn verweer tegen de discipelen op deze unieke relatie kunnen wijzen. Maar dat doet Hij niet. Hij geeft de vraag terug: ”Waarom houd ik niet van jullie zoals van haar?” Juist de mogelijkheid van een vergelijking tussen de liefde voor Maria Magdalena en voor de discipelen leidt tot een andere uitleg: het gaat om een spirituele relatie.
Dat wordt bevestigd door paragraaf 107 waar het gaat over het geestelijke voedsel dat via de mond naar binnen gaat. ”Want de volkomenen worden zwanger en baren door een kus. Om die reden kussen ook wij elkaar. We worden zwanger door de genade die we onder elkaar hebben.” Het is terecht dat G.P. Luttikhuizen spreekt over een ”rituele kus”. We kunnen dit vergelijken met ”de heilige kus”, waar Paulus in Rom.16:16; 1Cor.16:20 enz. over spreekt.
Maakt het wat uit voor ons geloof?
Historische vragen moeten we historisch beantwoorden. Als we de vraag: was Jezus getrouwd? voortijdig vanuit onze dogmatiek beantwoorden met ”natuurlijk niet, want anders...” is onze openheid weg. Maar de dogmatiek moet wel vragen blijven stellen. Wat betekent het dat Jezus hoogstwaarschijnlijk celibatair leefde? En: zou het voor ons geloof in Jezus iets uitmaken als Hij met een vrouw had geleefd? En waarom dan? De geschiedeniswetenschap is altijd huiverig voor ”als-vragen”, maar de dogmatiek kan er van leren.
Op dit punt heeft Phipps gelijk, dat we nog eens grondig moeten nadenken over Jezus’ menselijkheid. De Engelse carol zegt ”The little Lord Jesus, no crying he makes” en dit beeld van Jezus is nog niet helemaal verdwenen in de kerk. Een aantal jaren geleden hield ik een kerstquiz voor mijn jongere catechisanten met daarin de vraag: ”Het kindje Jezus huilde a) net als alle andere baby’s; b) alleen als het echt nodig was; c) op de lange reis naar Egypte; d) nooit. Een behoorlijk aantal jongeren had b of d aangestreept. Dit is een late nawerking van een docetisme dat zich vroeg en diep in de kerk heeft genesteld. Clemens van Alexandrië haalt met kennelijke instemming de gnosticus Valentinus aan, die beweert dat Jezus door zijn zelfbeheersing op een bijzondere wijze at en dronk en daarom ook niet de stoelgang van de gewone stervelingen had.
We kunnen ons voorstellen dat er een geschrift uit de eerste eeuw gevonden wordt waaruit zou blijken dat Jezus getrouwd was. Waarschijnlijk is dit niet, onmogelijk evenmin. Ik denk dat dit geen schok voor gelovige mensen hoeft te zijn. Of scherper geformuleerd: als het een schok voor de gelovigen zou zijn, zou het tot zelfonderzoek moeten leiden waarom we de seksualiteit in het leven van Jezus geen plaats kunnen geven. Is dit toch een late nawerking van de hellenistische mensvisie waarin de lichamelijkheid en de seksualiteit op het tweede plan komen?
Als ik de Evangeliën goed begrepen heb, was er volgens Jezus niets mis met de seksualiteit. Integendeel, het hoort bij de levensvervulling die de Schepper zijn mensen gunt. Dat Jezus gekozen heeft voor een leven in seksuele onthouding staat in het kader van het offer en het kruis. Het Koninkrijk van God vroeg Hem om alles achter te laten en op weg te gaan in vertrouwen op God.
Noten:
1. Voor het gemak van de meeste lezers citeer ik de Nederlandse vertaling (Amsterdam, 2004).
2. ”Playing on and Transmuting Words. Interpreting Albeit-Galuto in the Habakkuk Pesher”, in Z.J. Kapera (red.), Papers on the Dead Sea Scrolls (FS J. Carmignac; Krakau, 1991) 177-196. Zie daarover: O. Betz & R. Riesner, Jesus, Qumran und der Vatikan. Klarstellungen (Freiburg enz., 1993) 88vv. Volgens Eisenman komen Jakobus, de broeder des Heren en Paulus beiden in de geschriften van Qumran voor. Paulus kan zelfs wel een agent van de Romeinen geweest zijn.
3. Thijs Voskuilen, Alias Paulus. De grondlegger van het Christendom als geheim agent van Rome (Amsterdam, 2002).
4. Londen, 1982. Een expliciete verwijzing naar dit boek vinden we in De Da Vinci Code 243.
5. Als er al iets van de evangeliën gevonden is dan is het een minimaal fragment van Marcus. Zie C.P. Thiede, Het oudste evangelie-handschrift? Het Marcus-fragment uit Qumran en de beginfase van de schriftelijke overlevering van het Nieuwe Testament (Den Haag,1988). Maar dit is een zeer omstreden punt.
6. Dialoog met de Jood Trypho 56.
7. Catechesen 4.25.
8. Venus aan de leiband. Europa’s erotische cultuur en christelijke sexuele ethiek (Kampen, 1987).
9. Zie de NBV op deze tekst. De gangbare leeftijd om te trouwen lag voor een meisje in Israël rond haar veertiende levensjaar. Hanna is zeven jaar gehuwd geweest en 84 jaar weduwe. Dan komen we op 105 jaar, exact de leeftijd die Judit volgens Judit 16.23 had.
10. Was Jesus Married? The Distortion of Sexuality in the Chrstian Tradition (Lanham enz.,1970); hierna: Phipps, Jesus.
11. Zie bijv. Phipps, Jesus 81.
12. Phipps, Jesus 90v.
13. U. Luz, Das Evangelium nach Matthäus (EKK; 4 delen; Zürich, 1985-2002) 3.110v.
14. De vertaling komt uit E.A. de Boer, ”De vrouwvriendelijkheid van de gnosis”, in: Het Evangelie van Thomas (Zoetermeer, 1999) 67-74, spec. 68.
15. De geleerden zijn het niet eens over de ontstaanstijd, maar de vroegste datering van serieuze geleerden wijst op de tweede helft van de tweede eeuw. Zie R.McL. Wilson, The Gospel of Philip (New York enz., 1962) 3vv; H.M. Schenke, ”Das Evangelium nach Philippus”, in E. Hennecke & W. Schneemelcher, Neutestamentliche Apokryphen in deutscher Übersetzung 1 ( Tübingen, 19906) 148-173, spec.151.
16. Vertaling van G.P. Luttikhuizen, Gnostische geschriften I (Kampen, 1986) 91; hierna: Luttikhuizen, Geschriften. De paragraafnummering daar is 63/64.
17. In Luttikhuizen, Geschriften is dit 59.
18. Geschriften 69.
19. Stromateis 3.59.
20. Voor wie verder wil studeren op dit onderwerp leze Ben Witherington III, The Gospel Code. Novel Claims About Jesus, Mary Magdalene and Da Vinci (Downers Grove, 2004). Zie ook www.markdroberts.com: waar Mark D. Roberts ”Was Jesus Married? A Careful Look at the Real Evidence”.
Dr. S. Janse, Flagrante historische discrepanties en fabricaties. Over een slecht boek (De Da Vinci Code) en een goede vraag (was Jezus getrouwd?) (verschenen in Soteria 22 (2005), p. 16-25)