Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Wonderen zijn de wereld niet uit

 Prof. dr. J. Hoek

Prof. dr. J. Hoek

Kun je in een tijd van grote wetenschappelijke vooruitgang nog in wonderen geloven?
Veel mensen beschouwen God als een ”Lückenbüsser”, een ”gaatjesvuller”. Voor Hem is dan alleen nog plaats binnen een afnemend aantal witte vlekken op het terrein van ons weten. Voeg daarbij de populaire misvatting dat de wetenschap de werkelijkheid grotendeels in kaart heeft gebracht en de conclusie dat er voor God steeds minder te doen valt, ligt voor de hand.

De wetenschap hanteert het ”methodisch atheïsme” als uitgangspunt. Bij voorbaat geldt de afspraak dat er geen rekening wordt gehouden met de factor ”God”. Centraal staan de begrippen causaliteit en analogie. Men gaat ervan uit dat elk verschijnsel een in principe aanwijsbare oorzaak heeft, ook al heeft de wetenschap die oorzaak nog niet altijd ontdekt. Verder geldt de regel dat het onwetenschappelijk is te aanvaarden dat vroeger dingen gebeurden die nu nooit te constateren zijn, bijvoorbeeld dat iemand geboren wordt uit een maagd of opstaat uit de dood. Zoals A. van de Beek stelt in zijn boek ”Wonderen en wonderverhalen”: „Ieder wonderverhaal wordt in onze cultuur met een diepgaand scepticisme begroet en men gaat eraan voorbij zonder erop te reageren.”

In de discussie over deze vragen is het van belang helder te definiëren wat we onder wonderen verstaan. Wanneer we zeggen dat de merel in onze achtertuin wonderlijk mooi zingt, gebruiken we het woord wonder in andere zin dan wanneer we spreken over het wonder van de opwekking van Lazarus. In het Engels heet het eerste ”marvellous” en het tweede ”miraculous”, terwijl we in het Nederlands beide keren van wonderlijk spreken.

Voor de beleving van het geloof is het dagelijks gebeuren vol wonderen. In de gebruikelijke gang der dingen (bijvoorbeeld de wisseling van de seizoenen) zien we het wonder van Gods trouw. God is actief betrokken bij het in stand houden van de wetmatigheden in de schepping. Dat een steen vanwege de zwaartekracht van boven naar beneden valt, is te danken aan het wonder van Gods onderhoudende genade.

Het gaat ons nu echter om wonderen als gebeurtenissen die niet verklaarbaar zijn uit de gewone gang van zaken in de wereld, dus uit de wetten van oorzaak en gevolg. Gebeurtenissen waarvan het geloof beweert dat ze bewerkt zijn door een handelen van God dat van Zijn ‘normale’ handelen afwijkt.

Diepgaande omkeer

Op welke gronden gaat het geloof ervan uit dat zulke wonderen in de wereld gebeurd zijn en nog altijd (kunnen) gebeuren? We zouden kunnen antwoorden: „Omdat de Bijbel er op vele plaatsen van vertelt. Wonderen staan in de Bijbel, dus zijn ze waar gebeurd.” Nu is het zeker waar dat het geloof door de Bijbel bevestigd wordt in de openheid voor het wonder. Niet-gelovigen kunnen dit echter opvatten als een cirkelredenering. Wonderverhalen treffen we in de meest uiteenlopende religieuze tradities aan. Wie louter en alleen in wonderen gelooft omdat de Bijbel het zegt, overtuigt daarmee alleen hen die aan de Bijbel een bijzonder gezag toekennen.

Een tweede antwoord ligt op exis­tentieel niveau. Het gaat dan niet om een rationeel bewijs, maar om een aansprekend getuigenis. God verandert mensen en dat wordt zichtbaar in een nieuw leven. Wie uitsluit dat God ingrijpt in deze wereld, gaat ervan uit dat de mens zichzelf ten goede kan veranderen. Maar dat loopt altijd weer op een fiasco uit. Wie kan in de 21e eeuw nog volhouden dat de mensheid er moreel op vooruitgaat? Toch zijn er vele overtuigende bewijzen van mensen die een diepgaande omkeer hebben meegemaakt van egocentrisme tot een leven van liefdevolle inzet voor de naaste. Zij schrijven die omkeer niet toe aan eigen vermogens. Ze getuigen van het wonder van Gods komst in hun hart door de Geest Die nieuw leven schenkt. Zo hebben ze kennis aan de God Die wonderen doet. Daarom geloven ze in een reeks van wonderen van God van de schepping tot de komst van een nieuwe hemel en aarde.

Deze overtuiging is niet zonder aanvechting. Denk aan momenten in de Schrift waarop gelovigen vertwijfeld vragen waarom Gods wonderen uitblijven (zie bijvoorbeeld Richt. 6:13; Jes. 63:11-13). In een tekenarme tijd hunkert het geloof naar ”versterkende middelen”. De Heere weet ook wel dat Zijn kinderen dat nodig hebben en geeft daarom van tijd tot tijd signalen af van Zijn Koninkrijk, bijvoorbeeld in wonderen van genezing en bevrijding. Toch staat of valt het geloof daar niet mee. Als God Zich lange tijd verborgen houdt, als Hij in de grote wereld om ons heen en in ons eigen kleine persoonlijke wereldje afwezig lijkt te zijn, blijft het geloof naar Hem uitzien. Juist dat geloven tegen de klippen op versterkt de geloofwaardigheid van het geloofsgetuigenis.

Loopplank

Is er bij zo’n sterke concentratie op het ware geloof als enige toegangsweg tot het wonder nog wel een loopplank uit te leggen naar ongelovigen en nog niet gelovigen? Of trekken we ons hiermee gedecideerd terug in een geloofsbastion? Voor een terugtrekkende beweging wil ik bepaald niet pleiten. Waarom zouden we het gesprek niet voeren over de wederzijdse vooronderstellingen?

Het geloof dat er geen wonderen bestaan, is van aprioristische aard, zei J. H. Gunning al in de 19e eeuw. Anders zouden mensen veel meer openstaan voor de mogelijkheid van wonderen. Ze willen niet dat wonderen plaatsvinden omdat ze het bij voorbaat niet gelóven en omdat het optreden van een wonder de grond van hun bestaan zou doen schokken.

Laten gelovigen vrijmoedig door de vanzelfsprekendheid heen prikken dat de wetenschap alles zou kunnen verklaren. De natuurwetenschapper die tevens een wijze is, beseft dat ”de dingen hun geheim hebben” (A. van de Beukel). De historicus die uitgaat van het analogiebeginsel (dat het wonder a priori uitsluit) zou gevoeligheid kunnen ontwikkelen voor het unieke en ongeachte in het gebeuren. De wetenschappelijke benadering die Gods werken uitsluit is per definitie reductionistisch. Die reductie heeft veel deuren tot vermeerdering van kennis geopend, maar heeft tegelijkertijd deuren in het slot geworpen. Geloof en wetenschap hoeven elkaar het bestaan van wonderen niet te betwisten, maar geven elk op eigen wijze zicht op het wonder van Gods handelen.


Verder lezen over dit onderwerp:

A. van de Beek, Wonderen en wonderverhalen, Nijkerk 1991.
A. van de Beukel, De dingen hebben hun geheim. Gedachten over natuurkunde, mens en God, Baarn 1990.
J.H. Gunning jr., Het christelijk wondergeloof. Een reeks van beschouwingen, Amsterdam 1871.
Tim Keller, In alle redelijkheid. Christelijk geloof voor welwillende sceptici, Franeker 2008, p. 100-111.
Ard Louis en Arie van den Beukel, "Geloof en wetenschap,dat kan toch niet samengaan?" in: Martine van Veelen en Cees Dekker (red.), Hete hangijzers. Antwoorden op 17 kritische vragen aan het christelijk geloof, Amsterdam 2009, p. 85-104.
Dinesh D’Souza, Het christendom is zo gek nog niet, Amsterdam 2009, p. 113-146 en 226 - 239.


Prof. dr. J. Hoek, bijzonder hoogleraar gereformeerde spiritualiteit aan de Protestantse Theologische UniversiteitHeeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.nl


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek