De gereformeerde theologie heeft –tegenover bijvoorbeeld Rome en de remonstranten– zich altijd verzet tegen inmenging van de overheid in kerkelijke zaken. In die zin is de scheiding van kerk en staat gezond. Maar je moet wel met twee woorden spreken: kerk en staat staan beide onder de soevereiniteit van God. Politiek en religie zijn niet te scheiden en ook de overheid ontleent haar gezag aan de allerhoogste Wetgever.
Het probleem is niet de scheiding van kerk en staat maar de claim van de overheid dat zij neutraal is. Dat is schijn en het leidt er altijd toe dat de godsdienst functioneel benaderd wordt: kerken zijn er tot nut van het algemeen. Vroeg of laat mengt de staat zich als een bemoeizuchtige tante met de inhoud van de verkondiging. Een antithetische boodschap draagt niet bij aan sociale cohesie en dan zijn de rapen gaar. Deze geluiden worden trouwens opvallend vaak door ‘tantes’ in de politiek geuit.
Dijksma
Het recentste voorbeeld is staatssecretaris Dijksma, die vanuit Den Haag wil regelen met welke vriendjes en vriendinnetjes kinderen spelen. „Als kinderen te horen krijgen dat het niet goed is om vrienden te zijn met mensen die niet gelovig zijn, dan kan dat niet door de beugel.” Dat zij daarbij ook nog fundamentalistische moslims over één kam scheert met reformatorische christenen, maakt haar uitspraak nog beroerder.
Het staat buiten kijf dat de vriendelijkheid van christenen bij alle mensen bekend behoort te zijn. Een geestelijk getto is een gevaarlijke illusie. Christenen worden opgeroepen hun naaste lief te hebben als zichzelf. Maar de Bijbel zegt ook dat vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is. Moeten christenen dan eerst in Den Haag naar de politiek correcte exegese vragen? Uit de opmerking van de staatssecretaris spreekt een seculiere geest. Wie zijn geloof bepalend laat zijn voor zijn vriendschap, is asociaal.
Een van de oorzaken van de bemoeizuchtige overheid is een zwijgende kerk. De seculiere gedachte dat godsdienst vooral in de privésfeer hoort –hup, in je hok met je geloof– sijpelt ook de kerken binnen. Daardoor laten zij zich te gemakkelijk monddood maken in het publieke domein. Als de kerk geen boodschap meer heeft aan de overheid en de samenleving, moet zij niet verbaasd zijn als de overheid en de samenleving haar gaan voorschrijven wat zij wel en niet mag zeggen.
Nathan
Moet de kerk zich wel met de politiek bemoeien? Is dat niet in strijd met haar geestelijke karakter en met de verkondiging van het Evangelie? In het Oude Testament hebben de drie ambten een verschillende functie. De koning regeert, de priester bidt, de profeet ontmaskert. Ze zijn wel onderscheiden, maar niet gescheiden. De koning offert niet. De priester vaardigt geen wetten uit. De profeet is ook onderdaan en tempelganger.
Het ging vaak mis. De koningen voerden het heidendom in. De priesters lieten hun eigenbelang prevaleren. Het wemelde in Israël van valse profeten die het kwaad goed noemden. Gods trouwe knechten bleven waarschuwen, vaak met de dood als prijs.
De woorden van de profeet Nathan en de ziener Gad leidden David tot bekering, maar dat was uitzonderlijk. De meeste profeten werden vervolgd en gedood. Zacharia waarschuwde koning Joas voor de verleidende invloed van de vleiende vorsten, maar de priester-profeet werd in het voorhof van de tempel gestenigd. Als de kerk profetisch opkomt voor de eer van God, moet zij ook bereid zijn om te lijden.
In het Nieuwe Testament ligt het wel iets anders. De theocratie is in strikte zin voorbij. De burgerlijke wetten voor de samenleving van het oude Israël zijn niet van toepassing in het Romeinse rijk. Israël is uniek en wordt niet vervangen door de kerk, laat staan door een gekerstende maatschappij. Dat fundamentele verschil is niet altijd goed genoeg gehandhaafd; ten onrechte werd Nederland gezien als het Israël van het Westen.
Het Koninkrijk van Christus is niet van deze wereld. Dat betekent niet dat christenen zich terugtrekken uit de wereld, maar dat zij onbevangen, onbevooroordeeld, onpartijdig en onbaatzuchtig in de wereld staan. Zij hebben als burgers van een beter vaderland geen belangen. Hun enige belang is de eer van God en het heil van mensen.
Het was de Heere Jezus Zelf die tegenover Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft, door te getuigen van de waarheid en de Romeinse stadhouder eraan te herinneren dat hij zijn macht ontleende aan de Rechter van hemel en aarde. De goede belijdenis is het getuigenis van de christen dat hij geen aardse macht begeert, maar waarin hij tegelijk het gezag van God over het hele leven proclameert. De goede belijdenis is de theocratische belijdenis.
Elke zondag
Het politieke spreken van de kerk mag daarom nooit in lobbyen vervallen. De kerk is geen consumentenorganisatie. De kerk moet terughoudend zijn met het verdedigen van de belangen van de christelijke zuil. De kerk richt zich op de verkondiging van wet en Evangelie, heilzaam voor alle mensen. In die zin heeft zij elke zondag een boodschap voor de samenleving.
Zo nu en dan vernemen wie iets concreets van de reformatorische kerken. In 2008 tekende het deputaatschap bij de hoge overheid van de Gereformeerde Gemeenten protest aan bij de NS tegen het provocerende trouwen van drie lesbische paren in een NS-trein om een roman van Harry Mulisch te promoten. Nu is de NS geen hoge overheid, maar het signaal werd wel opgepakt.
Tijdens de mkz-crisis lieten verschillende deputaatschappen hun stem horen tegen de massale vernietiging van gezonde dieren vanwege economische belangen. De toen nog niet gefuseerde SoW-kerken merkten op dat de duurzaamheid van de productiemethoden in de veeteelt uit het oog verloren was. Een dier is een schepsel van God en geen product.
Verdeeldheid
Het is verkeerd als christenen zich achter hun verdeeldheid verschuilen. De verdeeldheid valt trouwens wel mee; in ieder geval wordt die in de samenleving niet als probleem ervaren. De tijd en de lust om de nuanceverschillen tussen orthodox-gereformeerden te bestuderen ontbreekt, en terecht. Reformatorische christenen moeten ophouden met het eindeloos herhalen van het mantra ”wie zou niet wenen?” Als er geen bereidheid is om concreet wat aan de verdeeldheid te doen, dan zijn het krokodillentranen. De wereld voelt haarscherp aan dat al die kleine kerken en stromingen uiteindelijk op hetzelfde neerkomen.
In concrete situaties kan de kerkelijke verdeeldheid wel een praktisch probleem vormen. Er zou meer samengewerkt kunnen worden. Misschien is een structureel overleg wel op zijn plaats, zeker nu er stemmen opgaan voor een platform of studiecentrum om het geluid van reformatorische christenen in de samenleving te versterken.
Wat wel verlammend werkt zijn de principiële verschillen in opvatting over het gezag van de Schrift en de toepassing die daaruit gemaakt moet worden voor de praktijk. Die verschillen lopen echter niet parallel met de kerkmuren. Een breed platform als het Interkerkelijk Contact in Overheidszaken waarbij zowel de Remonstrantse Broederschap als de Gereformeerde Gemeenten zijn aangesloten zal niet snel tot een duidelijk standpunt in ethische kwesties komen.
In het verleden heeft de kerk niet altijd voldoende ascese betracht bij het ventileren van een mening over concrete politieke onderwerpen. In 1971 verscheen ”Het Getuigenis” met daarin de analyse dat de neerwaartse spiraal van de Nederlandse Hervormde Kerk veroorzaakt werd door de linkse politieke prediking die de boodschap van de verzoening verdrongen had.
De roep in de gereformeerde gezindte om actuele prediking geeft in dat licht te denken. Alsof het kruis van Christus niet actueel is. In bevindelijk gereformeerde kring is er altijd verzet geweest tegen politieke prediking, hoewel de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat het vooral verzet was tegen linkse politieke prediking. Intussen werd vanaf reformatorische kansels zondag aan zondag gewaarschuwd tegen het dreigende gevaar van het communisme. De Oost-Europaorganisaties voeren er wel bij.
De apostel Paulus sprak met Felix over rechtvaardigheid, matigheid en het toekomende gericht. Hij deed dat in de kwetsbare situatie van een politieke gevangene. Hij had meer medelijden met Felix dan Felix met hem, omdat Felix een gevangene was van zijn eigen macht. De machthebbers van deze wereld bezitten geen macht; zij zijn bezeten van de macht. Paulus staat in de christelijke vrijheid en verklaart voor Festus en Agrippa dat hij hun gunt dat zij net zo vrij zijn als hij, ondanks zijn rammelende kettingen.
De drieslag van Paulus’ politieke prediking laat zich goed actualiseren. Hij spreekt over de gerechtigheid die het volk verhoogt. Publieke zonden moeten publiek aan de orde gesteld worden. Gerechtigheid herinnert de overheid er ook aan dat zij geroepen is om de zwakken in de samenleving te beschermen tegen corruptie en machtsmisbruik.
Matigheid
Het punt van de matigheid is verrassend actueel. De kerk heeft ook een boodschap aan de economische crisis. Elke analyse eindig bij het ene woord: hebzucht, volgens de Bijbel een wortel van alle kwaad. Dat het enige moeite kost om juist deze boodschap helder en duidelijke over te brengen komt wellicht doordat het woord ‘matigheid’ zo diep in het eigen vlees snijdt.
Het toekomende oordeel bepaalt bij de vergankelijkheid van het leven en de noodzaak om in elke roeping en situatie te leven voor het aangezicht van God. De boodschap kwam in ieder geval aan. Felix werd zeer bevreesd, omdat het getuigenis van de kerk, als het overeenstemt met het Woord van God, resoneert in het geweten van de naar Gods beeld en gelijkenis geschapen mens.
De kerk spreekt vrijmoedig met de overheid over God omdat zij voortdurend met God over de overheid spreekt. Het getuigenis wordt gedragen door de voorbede.
Dit artikel is een bewerking van de lezing op de debatavond ”Roepen in de woestijn!?” van de SGP-Utrecht gisteravond te Zeist.
Politieke spreken van kerk mag nooit vervallen in lobbyen.