Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Regeerakkoord beslist onvoldoende

 De formatiebesprekingen vonden ditmaal op de verschillende locaties plaats. Hier verlaten Rouvoet, Balkenende en Bos de Zwaluwenberg in Hilversum. Foto ANP

De formatiebesprekingen vonden ditmaal op de verschillende locaties plaats. Hier verlaten Rouvoet, Balkenende en Bos de Zwaluwenberg in Hilversum. Foto ANP

Langdurige kabinetsformaties zijn sinds jaar en dag kenmerkend voor het Nederlandse politieke bestel. In die onderhandelingsprocessen moet duidelijk worden welke partijen elkaar uitsluiten en welke partijen het voldoende met elkaar eens zijn. Soms draagt die uitsluiting of die samenwerking een tamelijk structureel karakter.
Aan het eind van de 19e eeuw vonden antirevolutionairen en rooms-katholieken elkaar langdurig in wat men toen zonder meer aanduidde als de coalitie. In orthodox-hervormde kring, waar men Nederland zag als een vanouds protestantse natie, stonden velen afkerig tegenover deze innige samenwerking van rooms en protestant.

Eerst vanaf 1918 deden de christelijk-historischen mee, maar de coalitie was hun niet zo dierbaar dat ze in 1925 weigerden met ds. Kersten mee te stemmen bij zijn bekende amendement inzake het gezantschap bij de paus. Voor de zwaar gebelgde rooms-katholieken zou samenwerking met de socialisten toen een alternatief zijn geweest, maar hun leider Nolens wilde daar „alleen bij uiterste noodzaak” toe overgaan.

De liberalen waren vlak voor de Eerste Wereldoorlog al bereid om een kabinet te vormen met de socialisten, maar die zagen dat na enige aarzeling toch niet zitten. Het zou tot 1939 duren voor de SDAP aan de regering deelnam. De door Colijn geleide ARP kwam toen in de oppositie terecht. Pas in 1952 namen ARP en PvdA samen zitting in het kabinet. Liberalen en socialisten, die elkaar lange tijd als coalitiepartners hadden uitgesloten, kwamen met de paarse coalitie in 1994 in dezelfde regeringsploeg terecht.

Middenpositie
Het nieuwe van de lopende kabinetsformatie is dat ook de ChristenUnie bij de besprekingen is betrokken. Dat komt door de moeilijke verkiezingsuitslag waarbij niet alleen de combinatie van CDA en VVD beneden de 75 zetels bleef, maar zelfs een CDA-PvdA coalitie beneden die cruciale grens terechtkwam.

Het heeft er ook mee te maken dat voor de ChristenUnie de afstand tot de PvdA en het CDA kleiner geworden is. Voor een man als Jongeling (de eerste parlementariër van het GPV) zou het deelnemen aan een coalitie met de PvdA ondenkbaar zijn geweest.

Qua sociaal beleid is de ChristenUnie naar links opgeschoven, zodat zij goed past in een coalitie van CDA en PvdA. Aan de Groningse universiteit heeft men de verschillende verkiezingsprogramma’s in de computer gestopt en daar kwam uit dat bij een coalitie van CDA, PvdA en CU het regeringsbeleid het meest overeen zou stemmen met dat van de ChristenUnie. Overigens zou dat waarschijnlijk ook zo zijn geweest wanneer de ChristenUnie buiten het kabinet gebleven was. Die uitkomst is een gevolg van de middenpositie van de ChristenUnie op een aantal beleidsterreinen.

De ChristenUnie (en zeker haar voorlopers GPV en RPF) kenmerkt zich echter ook door een aantal programmapunten die duidelijk niet aansluiten bij de PvdA en vaak ook niet bij het CDA. In de wandelgangen worden die wel aangeduid als de ethische of de immateriële punten, variërend van abortus tot de zondag. De grote vraag was hoe men daar in de huidige formatie mee zou omgaan.

Wat tot dusver van de kabinetsformatie naar buiten kwam, wijst er niet op dat Rouvoet op deze punten zwaar ingezet heeft. De sfeer was goed en de besprekingen waren constructief, zo werd van verschillende kanten steeds gezegd. Nu was al vóór de verkiezingen duidelijk dat de ChristenUnie erg graag aan de regering wilde deelnemen. Pas dan zou men immers volwaardig meetellen in de Nederlandse politiek. Dat is altijd een gevaarlijke opstelling. Zeker voor een christelijke partij. Zoiets verzwakt je onderhandelingspositie.

Praktijk tegenover wet
Nu heeft een oudgediende als Schutte in een opinieartikel in het RD gesteld dat de aanpassing van verkeerde praktijken belangrijker is dan een wetswijziging. En inderdaad, er kan een grote afstand groeien tussen een wetsartikel en de handhaving ervan. Maar dat is dan wel het geval in één bepaalde richting. Wat de wet verbiedt, kan in de praktijk door de overheid gedoogd worden. Maar wat de wet toelaat (of dat nu abortus is of openstelling van winkels op zondag) kan in werkelijkheid moeilijk verboden worden. Dat brengt het karakter van onze rechtsstaat met zich mee.

In concreto, zonder wetswijziging moet je niet verwachten dat er iets wezenlijks verandert inzake abortus, euthanasie, homohuwelijk of prostitutie. Hooguit zijn er dan marginale correcties mogelijk. Die vinden we nu ook in het regeerakkoord. Ongetwijfeld mag je in de huidige situatie dankbaar zijn voor elke verbetering, hoe gering ook. De regeringscombinatie van CDA, PvdA en ChristenUnie is in de huidige situatie de best denkbare. Maar tegelijkertijd geldt dat je je moet afvragen wat de toegezegde beleidswijzigingen (ook op wat langere termijn bezien) nu werkelijk voorstellen.

Als Dorenbos van de Stichting Schreeuw om Leven zegt dat de aangekondigde maatregelen het begin zijn van de afschaffing van abortus, dan moet je hopen en bidden dat hij gelijk krijgt. Maar zijn opmerking getuigt helaas niet van een reëel zicht op de politieke en maatschappelijke werkelijkheid. Het is niet zonder betekenis dat in de seculiere dagbladen, waarvoor de abortusvrijheid een aangelegen punt is, deze maatregelen weinig aandacht kregen.

In hoeverre moet je je als politicus verantwoordelijk voelen voor verkeerde wetten en wetswijzigingen die in het verleden tot stand gekomen zijn? Moet je niet vooral kijken naar wat nu aan de orde is? Dat maakt inderdaad wel enig verschil. Het homohuwelijk is inmiddels ingevoerd, over het wetsontwerp inzake de adoptie door homoparen moet de Kamer nog debatteren. Maar ook dat voorstel wordt niet ingetrokken!

Er zijn echter, om een klassieke formulering te gebruiken, zonden van bedrijf en van nalatigheid. Wie toetreedt tot een kabinet en zich niet beijvert om apert verkeerde dingen uit het verleden recht te zetten, maakt zich daarmee medeschuldig aan het kwaad. Om in ander verband de catechismus te citeren: wij moeten dan bevreesd zijn dat wij ons „met ons stilzwijgen en toezien zulke schrikkelijke zonden deelachtig maken.”

Verantwoordelijk
Nu is er de afgelopen weken in allerlei (ingezonden) stukken gewezen op het feit dat in de Bijbelse tijd godvrezende mensen als Jozef, Obadja en Daniël minister zijn geweest bij vorsten die een veelszins goddeloos beleid voerden. Die vergelijking gaat echter niet op. Wie zo redeneert, geeft blijk van gebrek aan historisch en staatsrechtelijk inzicht.

In ons staatsbestel geldt sinds 1848 de regel: de koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk. Die regel betekende een breuk met het absolute of enigszins door een constitutie beperkt koningschap, waarbij de vorst in hoge mate zijn stempel zette op het te voeren beleid. Bij ons ligt het politieke zwaartepunt bij de ministers, die uiteraard het vertrouwen moeten hebben van het parlement. Die ministers zijn bij uitstek verantwoordelijk voor de koers die gevaren wordt.

Zo’n dominante positie hadden Jozef en de anderen niet. Hun rol was eerder te vergelijken met die van een hoge ambtenaar. Die is wel betrokken bij de uitvoering van het beleid, maar draagt daarvoor niet de primaire verantwoordelijkheid. Weliswaar kwam het ook in predemocratische tijden voor dat de vorst vooral een ceremoniële functie vervulde en de macht bij een ander berustte. In Japan fungeerden tot 1868 de sjogoens als zodanig. In het Frankische rijk had je de hofmeiers die in feite de macht uitoefenden. Maar er is geen enkele aanwijzing dat dat ook bij Jozef, Obadja en Daniël het geval was. Bij discussies over het dragen van regeringsverantwoordelijkheid kunnen we hen er dan ook maar beter buiten laten.

Pragmatisch
Wie verwachtte dat als gevolg van de betrokkenheid van de ChristenUnie bij de formatie het nieuwe kabinet op een aantal cruciale punten een wezenlijk ander beleid zal voeren, moet inmiddels wel teleurgesteld zijn. Uit het gepubliceerde conceptregeerakkoord blijkt daar immers niets van.

Toch is er een grote bereidheid in de achterban van de ChristenUnie om deel te nemen aan Balkenende IV. Dat wijst op ingrijpende verschuivingen qua mentaliteit. Vergeleken met de meer principiële en antithetische opstelling die voorheen GPV en RPF kenmerkte, kiest men nu voor een pragmatische aanpak. Men wil vooral meedoen met de grote politiek en op die manier dienstbaar zijn aan de samenleving. Voor een terugdraaien van allerlei verkeerde beslissingen uit de afgelopen jaren inzake abortus, homohuwelijk en prostitutie is nu eenmaal onder de kiezers en in het parlement geen meerderheid te vinden. Die strijd hebben we verloren en als democratische partij moeten we ons daarbij neerleggen, zo redeneert men.

Ongetwijfeld hangt die andere oriëntatie samen met de recente verbreding van de achterban van de ChristenUnie, inclusief de toestroom van rooms-katholieken. En ook in de oorspronkelijke achterban (zeker bij de vrijgemaakten) is er het een en ander op drift geraakt. In zijn opstelling ten aanzien van de immateriële zaken is men verder van de SGP af komen te staan en dichter bij het CDA.

Maar houdt onze acceptatie van de democratie ook in dat wij de meerderheid in het kwaad volgen? Dat kan toch niet. En dienstbaar zijn aan de samenleving mag toch niet betekenen dat wij ook dienstbaar zijn aan een veelszins goddeloze samenleving?

De SGP beklemtoont in artikel 1 van haar beginselprogram dat zij „streeft naar een regering van ons volk geheel op de grondslag van de in de Heilige Schrift geopenbaarde ordening Gods.” De ChristenUnie en haar voorgangers hebben dat altijd wat terughoudender geformuleerd. Maar ook daar vond men toch dat de Tien Geboden leidraad dienden te zijn voor de overheid. Uiteraard moet men in een regeringscoalitie altijd compromissen sluiten. Maar wat blijft er van die norm over wanneer men op basis van dit regeerakkoord tot het kabinet toetreedt?

Versteeg en Frinsel
Bij de kabinetsformatie van 1963 werd de christelijke gereformeerde VU-hoogleraar Th. Versteeg door zijn partij (de ARP) gevraagd om minister van Onderwijs te worden. Dat departement heette toen nog Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. De sector van de kunsten maakte het hem echter onmogelijk om daarvoor als minister verantwoordelijkheid te dragen. Dat betrof met name de subsidiëring van bepaalde kunstuitingen en het soms moeten optreden op zondag.

J. J. Frinsel, de vroegere directeur van Tot Heil des Volks en voormalig Kamerkandidaat van de RPF, schreef onlangs in het Nederlands Dagblad: „De goddeloze wetten die in de afgelopen jaren in Nederland zijn uitgevaardigd, staan het christenen niet toe een kabinet mogelijk te maken dat niet van plan is om daar verandering in te brengen.” Daar is geen woord Frans bij. Het zou goed zijn wanneer de aspirant-bewindslieden van de ChristenUnie zich eens ernstig zouden bezinnen op de opstelling van Versteeg en de woorden van Frinsel, voor zij straks op het bordes staan.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek