Paus niet dé antichrist

Paus niet dé antichrist -  Foto AFP

Foto AFP

Voor Luther was het helder: „Liever Turks dan paaps.” Zouden reformatorische christenen anno 2013 hem dat zomaar nazeggen? „Liever moslim dan rooms-katholiek.” Wie dat vanavond op verjaardagsvisite zegt, wordt mogelijk vreemd aangekeken.

In het vragenboekje van Abraham Hellenbroek, dat velen in bezit zullen hebben, wordt de vraag gesteld wie het Hoofd van de Kerk is. Het antwoord daarop is: „Jezus Christus. Volgens Efeze 5:23 is Hij het Hoofd der gemeente en de Behouder des lichaams.” Dan volgt er een tegenwerping: „Is dat de paus van Rome dan niet?” Onomwonden antwoordt Hellenbroek dan: „Nee, die is de antichrist.”

De paus is dé Antichrist. Dat was de stellige overtuiging van reformatoren, nadere reformatoren en puriteinen. Toen Luther de banbul van paus Leo X thuis kreeg, antwoordde hij in een brief van 6 september 1520: „Beste Leo, als mens wil ik je eren. Maar als paus ben je voor mij niets anders dan de antichrist.” Even verderop schrijft de hervormer: „De roomse kerk is een moordkuil geworden boven alle moordkuilen, een boevenhuis boven alle boevenhuizen, een hoofdplaats en rijk van alle zonde, dood en verdoemenis, zodat men niet kan bedenken hoe de boosheid nog meer zou kunnen toenemen, zelfs niet wanneer terstond de antichrist verscheen.”

Ook de andere grote reformator, Johannes Calvijn, stelde zich –zo mogelijk nog helderder– op het standpunt dat de paus de grote antichrist is. Bij zijn uitleg over de verschillende Bijbelteksten die spreken over de komst van de grote tegenstander van de Kerk zegt hij onomwonden dat dit de bisschop van Rome is. Zo schrijft hij bijvoorbeeld bij de verklaring van 2 Thessalonicensen 2:3 en 4: „Paulus spreekt niet van een mens, maar van het rijk, dat de duivel zou innemen, om de stoel der gruwelijkheid midden in de tempel Gods op te richten; hetwelk wij in het pausdom vervuld zien.”

Dezelfde gedachte is terug te vinden in de verschillende gereformeerde confessies. In de voorrede van de Dordtse Leerregels wordt gesproken over „de tirannie van de roomse antichrist en de schrikkelijke afgoderij des pausdoms.” In de Nederlandse Geloofsbelijdenis wordt gesproken over het „rijk van de antichrist” waarmee duidelijk de Rooms-Katholieke Kerk wordt bedoeld. En de Westminster Confessie zegt (art. 25:6): „De paus van Rome kan dus in geen enkel opzicht het hoofd van de kerk zijn, maar hij is die antichrist, die mens der zonde en zoon des verderfs, die zich zelf in de kerk tegen Christus verheft en tegen al wat God heet.”

Gereformeerde theologen uit de Nadere Reformatie hebben zich in vergelijkbare zin uitgelaten. De grote voorman van deze stroming, Gisbertus Voetius, zegt in zijn catechisatieboekje ondubbelzinnig dat de Rooms-Katholieke Kerk „een antichristelijke afvallige kerk” is. Godefridus Udemans komt in zijn ”Hemels-Belegh” (1633) tot het oordeel dat de paus de antichrist is omdat hij zichzelf „stelt inde plaetse Christi, ja boven Christum ende zijn H. Woort.” En Franciscus Ridderus schrijft in zijn ”Dagelijkse huiscatechisaties” dat alle kenmerken die de Bijbel noemt van de antichrist kunnen worden toegepast op het pausdom.

Ook puriteinen in Engeland en Amerika stellen zich op dit standpunt. Dat is opvallend omdat zij in hun situatie meer te duchten hadden van de Anglicaanse dan van de Rooms-Katholieke Kerk. Een voorbeeld. In een commentaar op 2 Thessalonicensen, het gedeelte dat gaat over de antichrist, schrijft de grote opwekkingsprediker John Wesley: „De paus maakt onbetwistbaar aanspraak op die titels. Hij is met nadruk de mens der zonde. (...) En hij is ook, op de juist wijze beschreven, de zoon des verderfs, omdat hij de dood van ontelbare menigten heeft veroorzaakt.”

Nazaten van de Reformatie en de Nadere Reformatie hebben tot in onze tijd de paus gezien als de verpersoonlijking van de antichrist. De vader van de Afscheiding, Hendrik de Cock, schreef in 1840 een boekje met de veelzeggende titel ”Het Beest en de Roomsche afgoderij”. Daarin riep hij de koning ertoe op om net als zijn voorvaderen zich te weer te stellen tegen het rooms-katholicisme dat in zijn dagen in ons land begon aan zijn emancipatie. De paus is de antichrist en de overheid is verplicht zich tegen de antichrist teweer te stellen, vindt De Cock.

In die lijn stond ook ds. G. H. Kersten, de oprichter van de SGP. Hij zag Rome als het grootste gevaar voor de christelijke kerk. Zijn uitgesproken standpunt leverde hem de bijnaam ”papenhater” op.

Argumenten

Wat zijn de argumenten om de paus de antichrist te noemen? Hoewel het aannemelijk zou zijn, is dat niet allereerst het bloed dat kleeft aan de handen van Rome omdat er in de tijd van de Reformatie duizenden martelaren zijn omgebracht. Dat is weliswaar een geweldige schuld die de Rooms-Katholieke Kerk op zich heeft geladen, maar andere vorsten en ideologieën hebben zich evenzeer tegen het christelijk geloof verzet en duizenden christenen omgebracht. Denk alleen maar aan de christenslachtoffers van het communisme. Hoe zwaar die bloedschuld van Rome ook is, dat is niet de doorslaggevende reden om haar dé antichrist te noemen.

Er zijn andere argumenten om te stellen dat de antichrist zich in Rome openbaart. De kerkhistoricus W. van der Zwaag geeft daarvan een overzicht in zijn boek over de kerkgeschiedenis van Engeland en de puriteinen. „In uiterst beknopte vorm, maar met verwijzing naar de betreffende datum moeten wij in dit verband wijzen op de leer van het vagevuur, de beelden en relikwieënverering, het celibaat van het priesterschap, de instelling van de Inquisitie, de aflaathandel, de leer van de transsubstantiatie, de aanbidding van de hostie, de ontzegging van de beker bij het Avondmaal, het gelijkwaardig verklaren van de traditie en de Bijbel, evenals die van de apocriefe aan de canonieke boeken, de onbevlekte ontvangenis van de maagd Maria, de onfeilbaarheidsverklaring van de Paus in zaken van geloof en moraal, de lichamelijke hemelvaart van Maria en dat alles terwijl het op het concilie van Trente uitgesproken anathema over de belijders van de leer van vrije genade is gehandhaafd gebleven.”

Wie deze opsomming leest, moet wel tot de conclusie komen dat in de Rooms-Katholieke Kerk de antichrist zichbaar wordt.

Nuancering

Blijft echter wel de vraag of de paus dé antichrist is. Daarover is minder eenstemmigheid. In de Vroege Kerk zag men keizer Nero, de eerste grote christenvervolger, als de antichrist. In de tijd van de kruistochten werden Mohammed en zijn navolgers als zodanig aangemerkt. Ook Luther zag in de islam iets van de antichrist. Hij schrijft: „De paus is de ziel, de Turk het lichaam van de antichrist. De één dreigt de lichamen, de ander de zielen van de christenen te doden.”

John Bunyan, de schrijver van de wereldberoemde ”Christenreis”, zei dat de paus de een gevaarlijke maar niettemin „gebrekkige oude man” was die niet veel meer kan doen dan de pelgrims aangrijnzen en „op zijn nagels bijten van woede, omdat hij hen niet naderen kan.” Bunyan ziet wel andere, groter gevaren. Luiaard, rijkdom, Apollyon, mooiprater enzovoort doen veel kwaad aan Gods kerk.

Ds. A. Moerkerken, rector van de Theologische School van de Gereformeerde Gemeenten, zegt in 1985 in een interview met het jeugdblad Daniël op de vraag of de paus de antichrist is: „Als we Openbaring 13 aandachtig lezen, zien we dat heel duidelijk. In de genoemde rij van mogelijke antichristfiguren is de paus zeker een schot in de roos geweest. Onze vaderen hebben terecht in hem schriftuurlijke trekken gezien van de antichrist. Het is duidelijk dat in het pauselijk instituut antichristelijke trekken te herkennen zijn. Maar persoonlijk vraag ik mij af, of wij de laatste openbaring van de antichrist (2 Thess. 2) nog niet te wachten hebben.” Dezelfde gedachte spreekt hij uit in een in 2009 verschenen preek over Daniël 11:36. Moerkerken ziet in het pausdom dus wel een gedaante van de antichrist, maar aarzelt hem dé antichrist te noemen.

Ook medewerker Boeder uit Ede van het kerkelijk blad De Wachter Sions zegt dat in een artikel van april 1983 niet zonder meer. Hij noemt de paus niet dé antichrist maar een van de antichristen. „Door de tijden heen is de openbaring van de antichrist gezien in hetgeen toen het meest dreigde en kwelde. De oude christenen zagen de antichrist in het rijk van het oude Rome, de hoer op zeven bergen. Onze Reformatoren en die hen navolgden zagen hem inzonderheid in de Paus en zijn aanhang, die zeer gewoed hebben tegen de arme slachtschapen van Christus. En in onze dagen mogen we ook zeker de Wereldraad van kerken niet vergeten. Ook het nu naar ons vaderland komende mohammedanisme, die boze afgodendienst.”

Schuivende fronten

Er valt dus enige nuancering aan te brengen op het stellige standpunt dat de paus dé antichrist is. Wel is duidelijk dat het pausdom een openbaring van de antichrist genoemd moet worden. De tijdsomstandigheden bepaalden wie als antichrist werd gezien.

De vraag is of er op dit moment geen machten zijn die minstens zo bedreigend zijn voor de christelijke kerk als het pausdom. En die zijn er. Zou het individualisme, waarbij de mens (ook de kerkelijke mens) zich verheft als ware hij God en zichzelf de norm stelt, geen grote bedreiging zijn? Zou het materialisme de kerk niet ondergraven? En wat te denken van de seculiere machten die zich opmaken om het christelijke gedachtegoed uit te bannen?

Met het verschuiven van de fronten verandert niet het afkeurend oordeel over de roomse leer en kerkelijke structuur, maar wel de felheid waarmee erfgenamen van de Reformatie zich daartegen te weer stellen. Wie vandaag de dag zegt dat Rome het grote gevaar is, doet geen recht aan de ontzaglijk werkelijkheid waarin de kerk zich bevindt.

Sterker, de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat op een aantal punten de Rooms-Katholieke Kerk een Bijbelser geluid laat horen dan het protestantisme in het algemeen. Wie recente pauselijke uitspraken over ethische vragen volgt, zal moeten erkennen dat hij dingen zegt die veel protestantse theologen niet meer willen uitspreken. Dat geldt ook voor het vasthouden aan belangrijke oude christelijke dogma’s.

Dat is overigens niet nieuw. In het boekje ”Is afscheiding te rechtvaardigen?” schreef Hendrik de Cock al: „Waarlijk, in de dagen der Reformatie was de kerk van Rome nog niet zoozeer verbasterd van het oorspronkelijk Christendom als dit thans het geval is met de Nederlands Hervormde. Zij had nog de Apostolische geloofsbelijdenis, en het stond niemand vrij één dier artikelen te verloochenen.”

In belangrijke mate geldt ook voor de onlangs afgetreden paus Benedictus XVI dat hij oer-christelijke dogma’s handhaaft. Hij nam krachtig stelling tegen het modernisme en verdedigde de absolute waarheid van het christelijk geloof tegenover het libertijnse denken en de moderne Schriftkritiek. De duidelijkheid waarmee hij dat deed was een spiegel voor de protestanten die toegeven aan het moderne en kritische denken. Zo kunnen protestanten nog iets van de roomse paus leren. Voor zijn onbuigzaamheid op dit punt verdient de paus waardering. Iemand schreef: „Op het terrein van de verdediging van de historiciteit van de Bijbel is de paus protestantser dan veel protestanten.”

Tegelijk is waar dat de pausen, ook Benedictus XVI en zijn opvolger, door en door rooms zijn. Zij blijven van mening dat alleen hun kerk, waarin de paus de plaatsvervanger van Christus is, de schatbewaarder van de genade is en dat mensen dus alleen daar het heil kunnen krijgen. Zolang de traditie heerst over de heldere boodschap van de Bijbel, stelt het pausdom zich tegenover Christus. Laat ons daarom, net als de reformatoren deden, bidden voor de paus en zijn kerk. Opdat er ook in de Rooms-Katholieke Kerk een grondige reformatie komt.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek