Die positiekeuze is een zaak van groot gewicht. Hier wordt het kwade goed genoemd en het goede kwaad. Over zo’n opstelling spreekt de Bijbel het „wee” uit (Jes. 5:20). Het huidige kabinet, door velen bij de start gevreesd of toegejuicht als een bij uitstek christelijk kabinet, heeft van homo-emancipatie een speerpunt gemaakt. Minister Plasterk neemt dat deel van zijn takenpakket uiterst serieus. Zodanig dat nogal wat mensen binnen en buiten orthodox-protestantse kring denken dat hij zelf ook wel homo zal zijn.
Volgend of sturend?
Op tal van levensterreinen stelt de overheid zich volgend of afwachtend op. Zij wil niet betuttelend overkomen en zij kan nu eenmaal niet alles realiseren wat misschien wel wenselijk zou zijn. Maar ten aanzien van andere beleidsterreinen geldt dat de overheid mensen wel duidelijk een bepaalde richting uit wil duwen. Dat is het geval met het antirookbeleid, met het aanmoedigen van het buitenshuis werken van de gehuwde vrouw en zeker ook bij haar streven naar een algehele acceptatie van homoseksualiteit.
Het is nog niet zo dat het verboden is om van mening te zijn (op religieuze of andere gronden) dat homoseksuele relaties verwerpelijk zijn. Je mag die mening ook nog uitdragen. Zolang dat ten minste in voorzichtige bewoordingen gebeurt. Er mogen nog Bijbels en boeken gedrukt worden waarin die afwijzende gedachte wordt uitgesproken. Maar wie zich in een publieke functie onomwonden voor dat standpunt uitspreekt, zal een storm van kritiek oproepen en het is maar de vraag of hij in zijn positie is te handhaven. Een sollicitant voor een enigszins belangrijke post maakt grote kans dat hij vanwege een dergelijk standpunt wordt afgeschreven.
Het principe van gelijke rechten voor homo’s, zoals dat onder meer tot uitdrukking komt in het homohuwelijk, geldt tegenwoordig als een van de hoekstenen van onze beschaving. Zeker door het cultureel progressieve deel van onze maatschappij wordt dat verdedigd met een welhaast religieuze betrokkenheid. Het huidige kabinet is ook druk bezig dat principe in derdewereldlanden uit te dragen. Nu komen daar allerlei situaties voor waarbij men, om het heel genuanceerd te zeggen, weinig oog heeft voor de problematiek van de homofiele medemens. Maar over het geheel genomen heeft men in veel van die landen toch meer besef van goed en kwaad op dit terrein dan tegenwoordig in West-Europa het geval is.
Intolerantie
De intolerantie van de moderne maatschappij ten aanzien van Bijbelgetrouwe standpunten inzake homoseksualiteit, blijkt vooral wanneer men als christen de daad bij het woord wil voegen. Wanneer men werknemers, bestuursleden, cliënten, leerlingen, studenten en dergelijke duidelijk maakt dat zij vanwege een homoseksuele relatie niet te handhaven zijn binnen een organisatie of instelling met de Bijbel als grondslag. Dan maakt men heel wat los.
Zoiets geldt tegenwoordig immers als je reinste discriminatie. Artikel 1 van de Grondwet wordt dan in stelling gebracht. En de Algemene wet gelijke behandeling. Zowel in juridisch opzicht als in politieke en maatschappelijke discussies zijn dat krachtige wapens tegen mensen die homoseksuele relaties principieel afwijzen. Die zitten duidelijk in de verkeerde hoek. Het oordeel over hen is welhaast bij voorbaat geveld.
Dat artikel 1 van de Grondwet een gevaarlijk artikel was, kon bij de invoering van de nieuwe Grondwet al duidelijk zijn. In de loop van de grondwetsherziening had het progressieve kabinet-Den Uyl het begrip discriminatie geïntroduceerd en een communistisch amendement breidde de werking van het antidiscriminatieverbod uit door de zinsnede „op welke grond dan ook” toe te voegen. Homofilie en burgerlijke staat (ongehuwd samenwonen) konden nu ook onder het discriminatieverbod gebracht worden.
Nieuwe moraal
Inmiddels was de discussie gestart over een Algemene wet gelijke behandeling (AWGB). Het voorontwerp daarvoor was van een CDA-staatssecretaris, de oud-presidente van de Gereformeerde Vrouwenbond, Kraaijeveld-Wouters. Hoewel er meer verboden discriminatiegronden werden vermeld, concentreerden de bezwaren zich vooral op homoseksualiteit. Het Beraad Geestelijke Vrijheid organiseerde en coördineerde het verzet in confessionele kring.
De AWGB kon omschreven worden als libertijns en totalitair. De wet verklaarde gedragingen aanvaardbaar en respectabel, zoals homoseksueel gedrag en het ongehuwd samenwonen van man en vrouw, die vanuit de christelijke traditie, maar bijvoorbeeld ook in de joodse en de islamitische wereld, als verwerpelijk werden beschouwd. Die traditionele zedelijke normen werden door de wetgever opzijgeschoven en een nieuwe publieke moraal werd afgekondigd.
Opvattingen die daarvan afweken, werden als discriminerend bestempeld. Die kon men maar het beste voor zich houden. In ieder geval mocht men die in het maatschappelijk verkeer niet langer tot gelding brengen. Of mensen er een buitenechtelijke of homoseksuele relatie op nahouden, doet er in onze maatschappij niet meer toe. Wie op dit gebied iets zonde durft te noemen en het daarom in eigen organisatie of instelling niet wil tolereren, maakt zich schuldig aan discriminatie. Zo liggen de zaken helaas.
Praktijk
Nog onder Lubbers werd de AWGB aangenomen. Alleen SGP, RPF, GPV en een enkele CDA’er (Van Leijenhorst) stemden tegen. Aanvankelijk leek de praktische uitwerking mee te vallen. Orthodoxe gelovigen beriepen zich soms met succes op de wet, die immers ook discriminatie op grond van godsdienst verbood. Christelijke werkgevers moesten wel voorzichtig manoeuvreren (of accepteerden voortaan zaken die ze vroeger niet accepteerden) maar bij een consequent beleid bood de wet hun wel degelijk een bepaalde beleidsruimte in identiteitsgevoelige personeelszaken. Een vrijgemaakt gereformeerd verpleeghuis mocht van de Commissie Gelijke Behandeling op grond van zijn identiteit zelfs een christelijke gereformeerde sollicitant weigeren!
Eind jaren negentig stelde de huidige senator voor de ChristenUnie, Lagerwerf-Vergunst, zelfs dat ze blij was met de AWGB en dat die wet in het verlengde lag van Gods wet. Dat was wel een hele ommezwaai vergeleken met de ernstige bezwaren die vijf jaar eerder in de kring van het Beraad Geestelijke Vrijheid waren geuit. Het feit dat zij als plaatsvervangend lid deel uitmaakte van de Commissie Gelijke Behandeling zal daar niet vreemd aan zijn geweest. Mensen laten helaas zich gemakkelijk inpakken en meevoeren door de heersende opinies.
Beleid aangescherpt
Inmiddels zijn we weer tien jaar verder. Onmiskenbaar is het antidiscriminatiebeleid de laatste tijd aangescherpt. De Commissie Gelijke Behandeling vaart thans een andere koers dan voorheen het geval was. Er is duidelijk minder oog voor religieus gemotiveerde bezwaren. Ook elders is deze tendens te signaleren. In Groot-Brittannië wil de regering de bestaande vrijstelling van kerken ten aanzien van de antidiscriminatiewetgeving inperken tot de geestelijkheid. Als het gaat om jeugdwerkers en administratieve krachten zou een kerk (ongeacht haar eigen opvattingen) geen homo’s meer mogen weigeren.
Minister Plasterk schreef vorige maand een brief waarin hij onomwonden stelde dat schoolbesturen leerkrachten niet mogen weren of ontslaan wegens samenwonen of een homoseksuele relatie. Zo is dat destijds bij de behandeling van de AWGB toch niet gezien. Twee weken geleden liet Rouvoet weten dat bij een aantasting van de vrijheid van onderwijs de grenzen van het compromis bereikt waren. Het zou dan voor zijn partij heel moeilijk worden om aan de coalitie te blijven deelnemen. Dat verhulde dreigement perkt de speelruimte voor Plasterk in.
Maar hoe ligt dat in een volgend kabinet, waar de ChristenUnie en eventueel het CDA niet vertegenwoordigd zijn? Overigens moet je op dit punt van het CDA in de toekomst niet meer zo veel verwachten. Destijds onder paars stemde het grootste deel van de CDA-fractie tegen het homohuwelijk. Het is niet waarschijnlijk dat die bezwaren binnen de huidige fractie nog zo sterk leven. Bovendien beseft de partij maar al te goed dat zij met dergelijke strikte opvattingen de verkiezingen niet kan winnen.
Enkele feit
De politieke en juridische discussie concentreert zich met name op de enkelefeitconstructie in de AWGB. Op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat mag men niemand weigeren. Maar er kunnen daarmee samenhangende redenen zijn waardoor het wel is toegestaan. Erg duidelijk is dat allemaal niet. Het is onmiskenbaar een compromisformule.
Voor christelijke scholen is vooral van belang om de standpunten over homoseksualiteit en ongehuwd samenwonen te presenteren als een onlosmakelijk onderdeel van de grondslag. Niet als een later toegevoegd additioneel artikel. De sollicitant moet verklaren dat het hem bekend is dat de Bijbel dergelijke relaties afwijst. Wie toch zo’n relatie aangaat, kan derhalve niet geacht worden de grondslag nog te onderschrijven. Daarbij is uiteraard ook van belang dat de achterban van de betreffende school met dat standpunt instemt en het ook praktiseert.
De leerkracht die daar na verloop van tijd heel anders over is gaan denken, zal zich daar kerkelijk en geestelijk ook niet meer thuisvoelen. Natuurlijk, er zijn kerken en christenen die vinden dat dat met de Bijbel in de hand allemaal best te verdedigen is en christelijke instellingen juist voorop zouden moeten lopen in het accepteren van homorelaties. Maar dat is dan wel een ander christendom dan het Bijbelse.
Vanaf de onderwijspacificatie is in de Grondwet vastgelegd dat de vrijheid van het bijzonder onderwijs betreffende de aanstelling der onderwijzers moest worden geëerbiedigd. De overheid zou alleen eisen stellen ten aanzien van de bekwaamheid en de zedelijkheid van de onderwijzer. Het zou wel eens kunnen zijn dat mensen met een homoseksuele relatie in 1917, toen deze passages in de Grondwet werden opgenomen, niet aan de gestelde zedelijkheidsvereisten voldeden. Zulke mensen mocht je niet eens benoemen!
In ieder geval heeft men van begin af aan beseft dat de keuze van de leerkracht fundamenteel was voor de identiteit van de school. Een docent die de kinderen voorhoudt dat je niet mag vloeken maar het zelf wel doet, is nu eenmaal ongeloofwaardig. En dat geldt ook voor allerlei andere zaken die duidelijk de identiteit van de school raken. Een homoseksuele relatie is daar een van. Niet meer en niet minder.