Kerkelijk ambt geen vrijwilligerswerk

Kerkelijk ambt geen vrijwilligerswerk -  „Omdat iedereen tot kerkenraadslid gekozen kan worden, staat het ambt heel dicht bij het gewone leven. Dat is een van de sterke kanten van de gereformeerde ambtsleer.” Foto André Dorst

„Omdat iedereen tot kerkenraadslid gekozen kan worden, staat het ambt heel dicht bij het gewone leven. Dat is een van de sterke kanten van de gereformeerde ambtsleer.” Foto André Dorst

In veel kerkenraden in de Protestantse Kerk in Nederland is enige verwarring ontstaan door een besluit van de synode. De maximale zittingsperiode van ouderlingen en diakenen is per 1 november op twaalf jaar gesteld. Veel ambtsdragers dachten niet herkiesbaar te zijn, maar staan opeens voor de vraag of zij nog een periode kunnen dienen.

In de Nederlandse Hervormde Kerk was het vroeger mogelijk om tweemaal herkozen te worden, in de praktijk konden ambtsdragers zo maximaal twaalf jaar dienen. In de Hersteld Hervormde Kerk is dat zo gebleven. Van de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland mochten ouderlingen en diakenen niet langer dan acht jaar in de kerkenraad zitten. Voor de continuïteit lijkt de terugkeer naar maximaal twaalf jaar een goed besluit, ook al wordt het wat abrupt ingevoerd.

Om de drempel te verlagen, heeft de synode ook besloten dat ambtsdragers bij herverkiezing per geval hun termijn vast kunnen stellen: minimaal twee en maximaal vier jaar. Zij moeten dus ook beslissen hoelang zij beschikbaar zijn. Dat is curieus. De bedoeling is goed, maar zo lijkt het ambt een vorm van vrijwilligerswerk. Je kunt je net zo lang binden als je maar wilt: vrijheid, blijheid.

Soms zijn er legitieme redenen om tussentijds af te treden, maar het is geen goede zaak als je zelf bij voorbaat moet bepalen hoe lang je de Heere en de gemeente wilt dienen. Het ambt is geen bestuurslidmaatschap van een hengelsportvereniging.

In veel afgescheiden kerken treden de ambtsdragers alleen bij hoge uitzondering af. Het gewoonterecht om eindeloos herkozen te worden is echter niet in overeenstemming met de Dordtse kerkorde, die bepaalt dat ouderlingen en diakenen maar twee jaar mogen dienen. Elk jaar treedt de halve kerkenraad af en „anderen moeten in hun plaats gesteld worden.” Uitzonderingen zijn slechts mogelijk als het voor de kerk strikt noodzakelijk is.

Door voortdurende herverkiezing kan de macht in de gemeente bij een kleine groep komen te liggen terwijl de bedoeling van het ouderlingschap juist is om machtsmisbruik te voorkomen. Bovendien is het de vraag of kerkenraden die voortdurend herkozen worden een afspiegeling zijn van de gemeente. Er zijn gelukkig oudere ambtsdragers met een warm hart voor jonge mensen, maar het komt ook voor dat het gemeenteleven lijdt onder een kerkenraad die de vermaning „houdt wat gij hebt” al te letterlijk neemt.

Bezwaren

Het blijkt in de praktijk vaak lastig om nieuwe ambtsdragers te vinden. Een gemeente kan beter om ambtsdragers verlegen zijn dan er mee verlegen, maar langdurige vacatures in een kerkenraad komen het gemeenteleven ook niet ten goede. De verleiding is soms groot om uit verlegenheid mensen te verkiezen die de nodige gaven missen.

Als mensen bedanken, heet het vaak: „Hij had geen vrijmoedigheid om het aan te nemen.” Dat klinkt bescheiden, maar je hoort nooit dat iemand geen vrijmoedigheid had om te bedanken. Zo zou het moeten zijn, als God door middel van de gemeente een beroep op je doet en belooft je in alles te helpen.

Er kunnen praktische bezwaren zijn. Soms is het ambt lastig te combineren met onregelmatig werk of met een opleiding. Daar mag best begrip voor zijn, maar het is niet goed als mensen bedanken omdat zij zich niet willen binden. Het ambt is een roeping, geen vrijwilligerswerk.

Soms worden de bezwaren versterkt door de concrete invulling van het ambtswerk. Sommige kerkenraden stellen te hoge eisen aan de tijdsinvestering. Het is onverantwoord als een jonge vader twee of drie avonden per week aan de slag moet voor de gemeente. Als het in anderhalve avond niet kan, moet het werk anders georganiseerd worden.

In veel gemeenten vergadert de kerkenraad elke maand. Meestal staan er geen belangrijke beslissingen op de agenda. Zes keer per jaar moet eigenlijk wel voldoende zijn. Veel ambtsdragers snakken naar een meer geestelijke invulling van het kerkenraadswerk. Een kerkenraad kan beter een avond beleggen over het pastoraat of samen komen om te bidden, dan steeds maar te vergaderen over weinig of niets.

Veelkleurigheid

Christus heeft bij Zijn hemelvaart de gevangenis gevangengenomen en aan de mensen gaven gegeven: apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars. In Korinthe zijn ook mensen met de genadegave om te genezen of om krachten te doen, mensen met de gave van de hulpverlening, mensen met bestuurlijke gaven en met de gave van allerlei talen.

In de nieuwtestamentische gemeente komen dus veel meer ‘ambten’ voor dan die van predikant, ouderling en diaken. In zijn boekje ”Help! Christus’ Gemeente is in nood” pleit ds. M. D. Geuze voor de terugkeer van alle in de Bijbel genoemde ambten. Zijn uitgangspunt is dat geen enkele gave van de Geest na de eerste eeuw is opgehouden. Zelfs de apostolische bediening gaat door tot op vandaag.

De passie die uit het boekje spreekt, stemt tot nadenken, maar op de argumentatie voor het blijvende karakter van alle nieuwtestamentische ambten is wel iets af te dingen. Christus geeft Zijn gemeente die ambten en bedieningen die Hij nodig acht. Niemand heeft meer het recht om met apostolisch gezag te spreken.

In de gereformeerde ambtsopvatting is de veelkleurigheid van de nieuwtestamentische ambten wat verloren gegaan. Het ambt van alle gelovigen betekent niet alleen dat iedere christen een kleine profeet, priester en koning is, maar ook dat iedere christen met de specifieke gaven die hij of zij van de Heere gekregen heeft, de gemeente mag dienen.

Daarmee is niet gezegd dat elke functie meteen een ambtelijk karakter moet krijgen. Een koster of een organist hoeft geen ambtsdrager te zijn. Maar er zou wel meer ruimte moeten zijn voor geestelijke taken die niet direct bij het regeren van de gemeente horen.

Misschien zijn er in sommige gemeenten ook wel te veel ambtsdragers. Als het niet goed lukt om het vele werk gedaan te krijgen, is de verleiding groot om de kerkenraad uit te breiden. Dat is niet altijd de goede oplossing van het probleem. Vanuit het nieuwtestamentische spreken over de ambten als gaven van Christus aan de gemeente, kun je ontspannen met de taakverdeling in de gemeente omgaan. Niet elk ‘ambtelijk’ bezoek hoeft door een ouderling afgelegd te worden. Andere gemeenteleden kunnen helpen bij het bezoekwerk, terwijl de verantwoordelijkheid bij een kleine en slagvaardige kerkenraad berust.

Diaconessen

Het ambt van diaken is in de praktijk van het kerkelijk leven erg op dat van de ouderlingen gaan lijken. Zij maken deel uit van de kerkenraad en delen dus in de regering van de gemeente. Natuurlijk houden zij zich vooral bezig met diaconale hulp, maar afgezien van uitzonderingsgevallen komt dat toch vooral neer op het verdelen van collectegelden.

In de Bijbel komen ook diaconessen voor. Er zijn vrouwen die in de gemeente een dienende pastorale rol spelen en soms zelfs meestrijden in het Evangelie van Christus. De gereformeerde ambtsstructuur blokkeert ‘de vrouw in het ambt’ omdat alle ambtsdragers via de kerkenraad delen in de regering van de kerk. De veelkleurigheid van de nieuwtestamentische ambten biedt meer ruimte dan de versoberde gereformeerde visie.

Het feit dat de Bijbel zo veel verschillende ambten en bedieningen noemt, stelt de gereformeerde theologie voor de vraag of de ambtsopvatting niet te schraal geworden is. In theorie kent de gereformeerde traditie immers maar twee ambten, want predikanten zijn ouderlingen met een bijzondere opdracht. Kerntekst om dat te onderbouwen, is de opmerking dat de gemeente vooral die ouderlingen „die arbeiden in het Woord en de leer” in ere moet houden (1 Tim 5:17). Exegetisch roept dat wel wat vragen op. Uit het feit dat sommige ouderlingen een speciale taak hadden, volgt echter nog niet rechtstreeks dat er twee soorten ouderlingen zijn, laat staan dat sommigen wel en anderen niet mogen preken.

De opvatting van de predikant als lerend ouderling is ook niet consequent doorgevoerd. Alleen de dienaren van het Woord mogen doop en avondmaal bedienen. De bevestiging van de predikanten lijkt toch nog een beetje op de sacramentele priesterwijding waarbij de handoplegging de apostolische successie symboliseert. Het verschil met de gewone ouderlingen blijkt ook uit het periodiek aftreden. Een dienaar van het Woord is volgens de Dordtse kerkorde zijn leven lang aan de „kerkendienst” verbonden.

Aanblazing

Het klassieke bevestigingsformulier gaat terug op de formulieren van de hervormde vluchtelingengemeente in Londen. In 1550 krijgen protestantse kerken uit de Nederlanden van Edward VI toestemming om een gemeente te stichten. Marten Micron, een van de Nederlandstalige predikanten, publiceert later de liturgie en de kerkorde onder de titel ”De Christlicke Ordinancien”.

Aan de verkiezing van de ambtsdragers gaat een dag van vasten en gebed vooraf. Een van de vragen die bij de bevestiging gesteld worden, luidt: „Gevoelt u in uw hart, door de inwendige aanblazing van de Heilige Geest, dat u tot deze dienst geroepen bent?” Vergeleken daarmee is latere de formulering „door de gemeente en mitsdien door God zelf geroepen” wat magertjes.

In de vluchtelingengemeente van Londen leeft een diep besef dat de ambtsdragers aangeblazen moeten zijn door de Geest. De verlegenheid met het ambt zou wel eens voort kunnen komen uit een gebrek aan het besef van de werking van de Heilige Geest. Het valt te hopen dat het slechts om een gebrek aan besef gaat.

Een broeder die moest beslissen over zijn herverkiezing, zei onlangs: „Ik twijfel niet aan God en aan Zijn roeping, maar wel aan mezelf. Ik ben een man van weinig woorden en wat moet ik op huisbezoek allemaal zeggen?”

De kerk heeft meer dan ooit behoefte aan mensen van weinig woorden die in afhankelijkheid van God leven. Een paar woorden van een ouderling die midden in het leven staat, kunnen soms meer zeggen dan veel preken die op een studeerkamer uitgedokterd zijn. Omdat iedereen gekozen kan worden, komt het ambt heel dicht bij het gewone leven te staan. Dat is een van de sterke kanten van de gereformeerde ambtsleer.

Het ‘grondpersoneel’ van het Koninkrijk der hemelen bestaat uit zondaren. Het zijn geen vrijwilligers, maar dwarsliggers. Engelen zijn veel geschikter voor de dienst van God, maar één ding kunnen zij niet: getuigen van Gods genade in Christus: de enige Vrijwilliger.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
 
Plaats een reactie
Naam
Woonplaats
E-mail
Bericht
 
Captcha
Verificatiecode

Hiermee wordt voorkomen dat via geautomatiseerde programma's reacties worden gemaakt en spam wordt verstuurd.

Door te reageren gaat u akkoord met de algemene voorwaarden.

 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek