Plasterk deed zijn aantijgingen in een speciale uitgave van De Groene Amsterdammer, van 19 mei 1999. Die verscheen deze keer onder regie van een gasthoofdredacteur die zelf zijn theologiestudie begon in een VU-collegebankje: Andries Knevel.
Over welk ”standaard VU-compromis” heeft Plasterk het? De scheidslijn tussen geloof en wetenschap houdt theologen al eeuwenlang bezig. Als het gaat over het ontstaan van het heelal, de aarde en het leven zijn er twee duidelijk onderscheiden kampen: de groep die gelooft in een spontane, miljarden jaren durende ontwikkeling en zij die geloven in een Schepper Die in zes dagen alles geschapen heeft. Maar al vóór Darwin zijn er wetenschappers en theologen geweest die het niet zo zwart-wit zagen en trachtten het geloof in God als Schepper te harmoniseren met wetenschappelijke gegevens.
Uitgesproken verdedigers van de waarheid van het scheppingsverhaal waren mannen als de bioloog en theoloog Willem Ouweneel en de al eerder genoemde presentator van de Evangelische Omroep. Ouweneel trok begin jaren tachtig het land door en betoogde dat er geen speld tussen het scheppingsverhaal te krijgen was. Knevel presenteerde in EO-uitzendingen programma na programma om duidelijk te maken dat de afstamming van Adam beslist betere papieren had dan de afstamming van de aap.
Beiden maakten dan ook deel uit van de redactie van de brochure ”De Bijbel in de beklaagdenbank”. Daarmee reageerden ze op het spraakmakende rapport van de Gereformeerde Kerken, ”God met ons.” Dat synoderapport, over de aard van het Schriftgezag, rekende radicaal af met het klassiek gereformeerde geloof dat Gods Woord objectief de waarheid biedt. Een zwarte dag in de kerkgeschiedenis, zo klonk het vanuit de EO. Knevel en Ouweneel, op felle toon: „De Bijbel zit in de beklaagdenbank en moet terechtstaan voor de rechtbank van menselijke gevoelens en ervaringen, moderne filosofieën en zogenaamd wetenschappelijke vondsten.” Het laat zien dat hun scheppingsgeloof niet zomaar een ondoordachte opwelling maar een diep gefundeerde overtuiging was.
”Scheppingsleugen”
Knevel en Ouweneel zullen het verwijt verre van zich werpen dat ze nu zelf de Bijbel in de beklaagdenbank zetten. Intussen zijn ze echter, naar aanleiding van de eerder verfoeide wetenschappelijke vondsten, tot de overtuiging gekomen dat ze destijds op een verkeerd spoor zaten door vast te houden aan de letterlijke uitleg van de eerste hoofdstukken van het Bijbelboek Genesis. Ouweneel noemt zich nu een ”kosmologisch agnost” en Knevel heeft vorige week voor het oog van honderdduizenden kijkers verklaard spijt te hebben van zijn vroegere overtuiging, inmiddels op een EO-forum aangeduid als de ”scheppingsleugen”. In een lezing, eind januari, zei Ouweneel: „Ik geloof dat er evolutie plaatsvindt. Ik geloof ook dat God de Schepper en Onderhouder van alle dingen is. Wat ik niet zeker weet, is of er een algemene evolutie heeft plaatsgevonden. Daarom noem ik mij een ”ontstaansagnost”: iemand die niet zeker weet hoe het leven zich hier op aarde ontwikkeld heeft, en die zich bovendien afvraagt of we het in dit leven ooit zeker kúnnen weten. Maar de hoofdzaak blijft voor mij overeind en dáárin ben ik zeker géén agnost: ik geloof in Genesis 1. Ik geloof dat God de Schepper en Onderhouder van de wereld is. En ik geloof in een zekere mate van evolutie. De rest zal ik wel zien.”
Ouweneel benadrukt hier twee dingen: dat hij gelooft in God als Schepper, maar dat hij niet zeker weet hoe het leven ontstaan is. Er is dus betrekkelijk weinig overgebleven van de duidelijkheid en stelligheid waarmee Ouweneel voorheen het scheppingsgeloof verdedigde. Bovendien komt hij op grond van wetenschappelijke onderzoekresultaten tot de conclusie dat er veel te zeggen is voor de evolutietheorie als verklaringsmodel voor het ontstaan van de aarde. Op basis van diezelfde resultaten zei Knevel, al in juni 2005, te geloven dat de aarde miljarden jaren oud is. Inmiddels hangt hij het theïstisch evolutionisme aan: de overtuiging dat er een algemene evolutie is, maar dat die zich voltrekt volgens door God ingestelde natuurwetten. Ook Ouweneel acht dat een mogelijke verklaring voor het ontstaan van het leven, al houdt hij een slag om de arm.
Dat is nu het ”flutcompromis” dat Plasterk bedoelde. Overigens staan Ouweneel en Knevel in hun sympathie voor het theïstisch evolutionisme niet alleen en zijn ze daarin ook niet origineel. De opinieleiders varen in het kielzog van Cees Dekker, de Delftse hoogleraar die een paar jaar geleden nog een lans brak voor Intelligent Design. Dat is de overtuiging dat er een ontwerp ten grondslag ligt aan de natuur en dat de ontwikkeling van het leven niet zomaar aan het toeval is toe te schrijven. Inmiddels noemt Dekker zich theïstisch evolutionist: de rol van God bij de schepping is in die opvatting niet langer die van Ontwerper, maar beperkt zich tot het opstellen van natuurwetten.
Ook al twijfelen Ouweneel en Knevel niet aan God als Schepper, ze hebben problemen met het letterlijk lezen van de eerste hoofdstukken van Genesis. De wereld is in hun ogen niet circa 6000 jaar geleden geschapen in zes letterlijke dagen. Door die opvatting zo nadrukkelijk te ventileren, hebben ze grote beroering gebracht in christelijk Nederland. Een deel van de Bijbelgetrouwe christenen voelt zich -al dan niet terecht- in de steek gelaten door mannen die voorheen op de bres sprongen als Genesis 1 tot en met 3 werd aangevallen.
Wonderen
De vraag is of Ouweneel en Knevel voldoende doorzien wat hun opstelling teweegbrengt. Het afwijzen van Genesis 1 tot en met 3 als een letterlijk en historisch verslag heeft grote consequenties. De Franse filosoof Blaise Pascal schreef: „Er bestaat, buiten het geloof, geen enkele zekerheid over of de mens geschapen is door een goede God, een boze duivel of zo maar.” Anders gezegd: het scheppingsverhaal is alleen te aanvaarden door het geloof in een God Die wonderen werkt, Die machtige daden doet.
Natuurlijk zullen Ouweneel, Knevel en hun medestanders zeggen te geloven in een machtige God Die wonderen doet. In zijn vandaag gepubliceerde spijtbetuiging over de ontstane onrust zegt Knevel dat het verlossingswerk van de Heere Jezus hem dierbaar is en de basis is van zijn bestaan. In zijn laatst verschenen boek betoogt hij dat de kern van het christelijk geloof is dat Jezus Christus op aarde is gekomen is om zondaren te redden. Dat laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Kennelijk staan de heilsfeiten, de maagdelijke geboorte van Jezus Christus, Zijn plaatsvervangend lijden en sterven en Zijn opstanding uit de dood, voor hem absoluut niet ter discussie.
Terug naar het flutcompromis van de ”verwaterde VU-theologen”: een van hun drijfveren was het harmoniseren van geloof en wetenschap. Een belangrijk gevaar daarbij is het wegredeneren van de wonderen die zo kenmerkend zijn voor de Bijbel en Gods openbaring daarin. Dat begint in de regel niet halverwege de Bijbel maar juist op de eerste bladzijden. Zo gebeurde dat ook in het eerder aangehaalde rapport ”God met ons”: dat plaatste geen vraagtekens bij de opstanding van Christus maar wel bij de schepping van hemel en aarde.
Wie selectief winkelt in de Bijbelse wonderen, begeeft zich echter op glad ijs. Biologisch gezien is de maagdelijke geboorte of de opstanding van Jezus volstrekt onbegrijpelijk, ongeloofwaardig en in strijd met biologische wetmatigheden. Datzelfde geldt voor allerlei andere wonderen die de Heere Jezus heeft gedaan: het water dat veranderde in wijn, het wandelen over de zee, de bijzondere genezingen en het opwekken uit de dood. Hoe onwaarschijnlijk ook voor wetenschappers: natuurkundige, klimatologische en biologische regels en wetten werden hiermee getrotseerd.
Maar dat geldt niet minder voor wonderen in het Oude Testament. Was Jona in de vis? Sprak de ezel van Bileam? Ging het volk Israël droogvoets door de Schelfzee? Of was die driedaagse duisternis in Egypte toch een gewone zonsverduistering, voorafgegaan door een in die regio niet ongewone sprinkhanenplaag? Een watervloed die de hele wereld overdekt? Een slang die sprak? Hemel en aarde geschapen in zes dagen? De vrouw gebouwd uit een van de ribben van Adam?
Aapmens
Naarmate we meer voor in de Bijbel belanden, is de neiging van theologen sterker om kritische kanttekeningen te plaatsen bij de genoemde gebeurtenissen. Is dat terecht? Die opstelling staat op gespannen voet met de samenhang die de Bijbel kenmerkt. Dezelfde Jezus Die geboren is uit een maagd en opgestaan is uit de dood, heeft gezegd dat zelfs het kleine lettertje jota en accenten als de tittel een betekenis hebben. Op een vraag over de legitimiteit van echtscheiding citeert Hij Genesis 2: „Hebt gij niet gelezen, Die van den beginne den mens gemaakt heeft, dat Hij ze gemaakt heeft man en vrouw?” Zou de alwetende Jezus bij zo’n belangrijke vraag Zijn argumenten hebben ontleend aan een ’gedicht’ dat we maar niet te letterlijk moeten nemen?
Ook binnen het Oude Testament is er zo’n samenhang. Het bekendste voorbeeld is dat van de wetgeving. Wie de schepping in zes keer 24 uur afwijst, moet zich in bochten wringen bij het vierde gebod, dat ook spreekt over de schepping in zes dagen. Waarom zouden die dagen wel letterlijk genomen moeten worden en die in Genesis 1 niet?
Er is nog meer glad ijs. Wie werkelijk een akkoord wil sluiten met Darwin en zijn aanhangers, kan niet uit onder een aapmensachtige voorouder van Adam en Eva. Maar dat zou betekenen dat de mens inderdaad van de dieren afstamt en niet geschapen is naar Gods beeld. Dan doemen meteen de bekende vragen op. Was de dood er al voor de zondeval? Is er ooit een paradijs geweest, met een boom der kennis van goed en kwaad en een boom des levens?
Wie de letterlijke betekenis van de eerste Bijbelhoofdstukken betwijfelt of reduceert tot dichterlijke taal met een theologische of symbolische betekenis, knaagt daarmee onmiskenbaar aan de rest van de Bijbel. Dat is niet meer glad ijs, maar een onbegaanbaar pad. De mens is niet zomaar ontstaan, hij is bedoeld, geschapen met een doel: het verheerlijken van zijn Schepper. Het is echt kiezen tussen God of Darwin.