In de financiële wereld deden zulke ingewikkelde financiële producten hun intrede, dat ook de bankiers onvoldoende zicht hadden op de risico’s. Dat gevoegd bij een te groot vertrouwen in de werking van financiële markten, een grenzeloos optimisme over de economische ontwikkeling en de jacht op kortetermijnwinsten en daaraan gekoppelde bonussen, heeft geleid tot de huidige mondiale kredietcrisis. Een crisis die al wekenlang het nieuws beheerst en waarvan de consequenties voor de reële economie nog niet te overzien zijn.
tussenkop (u16(Economie en psychologie
Meer dan ooit is duidelijk dat de harde wereld van de economie met zijn complexe calculaties nauw samenhangt met de veelal ongrijpbare wereld van de psychologie. Vertrouwen is nu eenmaal de basis van het bankwezen. De spaarder moet erop kunnen vertrouwen dat hij zijn geld terugkrijgt. De banken moeten kunnen vertrouwen op het solide karakter van de bedrijven en de huizenbezitters waaraan zij geld uitlenen. Evenzo moeten banken elkaar kunnen vertrouwen bij de interbancaire kredietverlening. En vertrouwen laat zich niet zo makkelijk sturen. Je vertrouwt de situatie of je vertrouwt ze niet. Dat laat zich niet altijd helemaal beredeneren. Daarbij zijn veel onmeetbare factoren in het geding. Ook op de beurs speelt de psychologie een grote rol. Veel bedrijven zijn thans op de beurs een stuk minder waard dan hun balanswaarde aangeeft.
De werkelijkheid blijkt echter anders te zijn. Pijnlijk anders zelfs. Grote, wereldwijd opererende banken blijken niet meer te zijn dan een reus op lemen voeten. Als die eenmaal gaan wankelen, is de staat de enige die hen overeind kan houden. Die moet dat dan ook wel doen. Ook in Amerika, vanouds het bolwerk van de kapitalistische economie, waar het woord socialisme klinkt als een vloek, is dat de laatste maanden herhaaldelijk gebeurd. De sinds jaar en dag gepredikte afkerigheid van overheidsbemoeienis met het economisch leven en zeker van nationalisatie van bedrijven, moest het afleggen tegen de urgentie van de feitelijke ontwikkeling. In Nederland zou een liberale minister van Financiën het niet veel anders gedaan hebben dan PvdA-leider Bos het nu doet. Hooguit zou er minder zijn ingegrepen in de bonussen voor bankbestuurders.
Er is dan ook alle reden tot bezinning op de structuur van de financiële wereld. Daar werd tot voor kort met gemak het grote geld verdiend. En de top zorgde wel dat ze zelf niets tekortkwam. Protesten daartegen vanuit de publieke opinie werden terzijde gelegd. Die hoge beloningen hoorden nu eenmaal bij het geglobaliseerde kapitalistische systeem. Die mensen droegen bij aan de fabelachtige winsten die gemaakt werden en daarom was het redelijk dat zij ook zelf een deel daarvan incasseerden. Voor wat hoort wat! De overheid moest zich daar niet mee bemoeien, maar de financiële sector zo veel mogelijk zijn gang laten gaan.
tussenkop (u16(Staat moet ingrijpen
In ieder geval kan duidelijk zijn dat onvoorstelbaar hoge beloningen voor de top van een financieel concern nog geen garantie zijn dat je daar ook mensen krijgt die weten wat ze doen en een verantwoorde strategie volgen. Veeleer lijkt het erop dat juist die aantrekkelijke bonusregelingen riskant gedrag uitlokten. Als het goed afliep kon je cashen, zou het verkeerd aflopen (en in het algemene optimisme werd die kans gering geacht) dan verloor je hooguit je baan. Mogelijk kon je dan ook nog aanspraak maken op een forse ontslagvergoeding.
tussenkop (u16(Renteverbod
Bij een bezinning op de jongste ontwikkelingen is het wellicht nuttig eraan te herinneren dat handelsactiviteiten en zeker de geldhandel in de vroegchristelijke kerk en in de middeleeuwen kritisch werden bezien. Geld is niet productief, zo meende men: geld jongt niet. Wie een rentevergoeding vroeg voor het uitgeleende geld, wilde meer terughebben dan hij gegeven had en benadeelde dus zijn medemens. Rente en woeker golden als synoniemen. Het islamitisch renteverbod, waar strenge moslims zich nog steeds aan houden, is historisch gezien dus niet zo’n vreemde zaak.
De huidige kredietcrisis schudt aan de vermeende zekerheden van ons maatschappelijk bestaan. Zo is al van verschillende kanten het failliet van het kapitalistische of neoliberale systeem aangekondigd. In een crisissituatie worden gemakkelijk grote woorden gesproken. Maar zelfs de wereldcrisis van de jaren dertig heeft niet geleid tot een fundamenteel ander productiestelsel. Wel zijn we daardoor meer vertrouwd geraakt met een omvangrijke overheidsbemoeienis met het economisch leven. Daarentegen stonden de laatste decennia juist in het teken van liberalisatie en een terugtredende overheid. Nu gaat de slinger weer naar de andere kant. Van de drie grote Nederlandse banken is Fortis/ABN AMRO inmiddels genationaliseerd, heeft de staat een flinke inbreng gekregen in ING en is alleen de Rabobank nog echt in particuliere handen. Het feit dat deze bank een coöperatieve structuur heeft, waardoor hij niet onderworpen is aan de grillen van de beurs, heeft daar duidelijk toe bijgedragen.
Luther ging in die lijn verder. Aan het slot van zijn ”Open brief aan de christelijke adel” (1520) stelde hij dat er te veel buitenlandse handel is. Die is niet bevorderlijk voor de goede zeden. Financiële constructies om het renteverbod te omzeilen waren instrumenten van de duivel. Het machtige bankiershuis van de Fuggers, dat destijds de pauselijke geldzaken in Duitsland regelde, moest volgens Luther beslist aan banden worden gelegd. In 1524 schreef hij een apart geschrift over ”Koophandel en woeker”. Nog aan het eind van zijn leven deed hij een oproep aan predikanten om tegen de woeker (rente) te preken.
Calvijn daarentegen nam het renteverbod niet over. Hij had meer oog voor de economische ontwikkelingen in zijn tijd. Die leidden ertoe dat de betekenis van het geld en van bankiers groter werd dan in de sterk agrarische en autarkische maatschappij van de middeleeuwen het geval was. Volgens hem maakte het verschil of men zijn arme medebroeder geld leende om in zijn levensonderhoud te voorzien of dat men aan iemand geld uitleende om zijn bedrijfsvoering uit te breiden. Maar ook in dat laatste geval mocht slechts een billijke rente worden berekend. Men mocht geen misbruik maken van de omstandigheden.
tussenkop (u16(Grote woorden
Er is inderdaad alle reden om de financiële sector strenger te reguleren. De globalisering vergroot de besmettelijkheid van allerlei crises. Problemen op de hypotheekmarkt in de VS leidden na verloop van tijd tot het omvallen van Europese banken. Maar echt nieuw is dat ook weer niet. Het instorten van Wall Street leidde in de jaren dertig van de vorige eeuw tot een wereldcrisis. Wel geldt dat voor relatief geïsoleerde economieën als India en China (in de jaren dertig was dat de Sovjet-Unie) de schokeffecten duidelijk minder zijn.
Het probleem is ook altijd dat kort na een crisis de schrik er wel in zit en de betrokkenen (bankiers, bedrijven, spaarders, beleggers etc.) zich voorzichtiger en verantwoordelijker gedragen. Maar gaat het een aantal jaren goed, dan groeit het optimisme en durft men steeds meer aan. Waarom zou men achterblijven bij anderen die verdergaan? Aan de rand van het ravijn bloeien vaak de mooiste bloemen.
In ieder geval is duidelijk geworden dat het niet verstandig is om de rol van de staat in het economisch leven te minimaliseren. Als het echt fout gaat, is dat de enige instantie die grootschalig en effectief kan ingrijpen. Nog beter is als de staat voldoende controle houdt op het economisch leven (de financiële wereld niet uitgezonderd) zodat dergelijke crisissituatie worden voorkomen.
tussenkop (u16(Garanties
Om de vertrouwenscrisis te overwinnen strooit de overheid nu op allerlei terreinen met garanties. Zo zijn onze spaartegoeden inmiddels tot 100.000 euro gegarandeerd. De Belgische staat heeft zelfs een fonds opgericht om de gedupeerde kleine aandeelhouders in Fortis tegemoet te komen. Dat is allemaal heel aardig, maar ook gevaarlijk. Wanneer particulieren en anderen weten dat de staat of een of andere garantieregeling de schade wel vergoedt als het fout gaat, kan hen dat gemakkelijk verleiden tot riskant gedrag.
Een garantie voor kleine spaarders is nuttig en nodig, maar mensen met hogere spaarsaldo’s moeten weten wat ze doen. Een volledige dekking van de risico’s betekent immers ook dat anderen, die van zo’n spaarbedrag alleen maar kunnen dromen, daaraan moeten meebetalen.
Een van de redenen waarom de hypotheekcrisis in Amerika zulke grote gevolgen had, is dat daar de regel geldt dat de woningbezitter die zijn woning verlaat en de sleutel inlevert (omdat hij de hypotheeklasten niet meer kan betalen of omdat de waarde van zijn huis minder geworden is dan de hypothecaire schuld) van alles af is. In Nederland is het niet alleen moeilijker om aan een ander huis te komen, maar blijft de voormalige huizenbezitter aansprakelijk voor de restschuld. Dat leidt ertoe dat mensen bij stijgende rentelasten en een daling van de woningprijzen niet zo gemakkelijk hun huis opgeven. Er zijn daardoor veel minder gedwongen verkopen, waardoor de onrust op de woningmarkt beperkt blijft. Zo kunnen regels en structuren in crisissituaties dempend of juist versterkend werken.
Geld is in het maatschappelijk verkeer onmisbaar, maar het is ook een gevaarlijk goed. Herhaaldelijk worden we daar in de Bijbel op gewezen. De geldgierigheid is een wortel van alle kwaad. Die rijk willen worden, vallen in verzoeking. Wij hebben niets in de wereld gebracht en het is openbaar dat wij niet iets daaruit kunnen dragen. Als we eten en onderdak hebben, zouden we daarmee tevreden moeten zijn. En boven alles geldt dat de godzaligheid een groot gewin is (1 Tim. 6:6-10). Dat is een boodschap die veraf staat van de opinies die in deze wereld gangbaar zijn. Maar het is ook een boodschap waarvoor plaatsgemaakt moet worden in het hart van hen die zich christen noemen.