Bovendien kan het na de sharia-affaire van minister Donner duidelijk zijn dat het zeker voor ministers niet verstandig is om publiekelijk te speculeren over mogelijke ontwikkelingen met betrekking tot de islam. Daarvoor is deze materie veel te explosief. Dat is een gevolg van het terrorisme van een overigens beperkte groep moslims en de radicaal afwijzende opstelling van grotere groepen islamieten tegenover de westerse cultuur.
Abrahamitische oecumene
Hoe verhouden christendom, jodendom en islam zich tot elkaar? Kunnen die gezamenlijk de basis vormen voor onze cultuur? Hier en daar weerklinken pleidooien voor een abrahamitische oecumene. Maar veel inhoud heeft dat niet. Weliswaar staan Mohammeds volgelingen door hun monotheïsme dichter bij ons dan bijvoorbeeld de hindoes met hun godenpantheon. Niet voor niets maakten gereformeerden vanouds onderscheid tussen Joden, mohammedanen en heidenen.
Maar tussen Bijbel en Koran bestaat een groot verschil. De opvatting dat God een Zoon heeft, staat voor moslims gelijk aan godslastering en de gedachte van verzoening door voldoening is hen geheel vreemd. En al zouden de meer vrijzinnige christenen bereid zijn om over al die verschillen heen te stappen, dan blijft het een feit dat juist zij ver af staan van de islam met zijn fanatieke geloofsbeleving en zijn totalitaire pretenties. Dat geldt zeker ook als het gaat om de ondergeschikte positie van de vrouw in de islamitische wereld en de radicale afwijzing van homoseksualiteit.
In het spreken over de dragende waarden van onze cultuur gaat het niet alleen om een feitelijke analyse, maar meestal ook om een normatieve stellingname en om historische pretenties. Bij de oprichting van de ARP formuleerde Kuyper in artikel 1 van het beginselprogram dat de antirevolutionaire of christelijk-historische richting de grondtoon van ons volkskarakter vertegenwoordigde. Een grondtoon die volgens hem „onder invloed van de hervorming omstreeks 1572 zijn stempel ontving.” Ook Hoedemaker en Kersten spraken onomwonden over Nederland als een protestantse natie. Trouwens, twintig jaar geleden publiceerde W. Aalders een boek onder de titel ”De overlevingskansen van een protestantse natie”.
Antirevolutionairen, christelijk-historischen en rooms-katholieken zetten jarenlang een stempel op de Nederlandse politiek. Zelfs toen in 1933 ook liberalen en vrijzinnig-democraten deel uitmaakten van het kabinet, verklaarde de regering rekening te zullen houden „met den Christelijken grondslag onzer samenleving.” Vier jaar later, toen een coalitie van alleen de drie christelijke partijen tot stand kwam, werd in de troonrede gesproken over „een doelbewust streven naar beveiliging en versteviging van de positief Christelijke grondslagen onzer samenleving.”
Joods-christelijk
De laatste decennia is het ook in orthodoxe kring gangbaar om te spreken over de joods-christelijke wortels van onze beschaving. Is dat meer dan een vriendelijkheidje naar de door de nazi’s zozeer gedecimeerde Joodse bevolkingsgroep? En hoe verhouden die joods-christelijke wortels zich tot verlichting en islam?
Het is helemaal niet zo makkelijk om de feitelijke ontwikkelingsgang van onze cultuur in kaart te brengen. Want neem nu het koloniale verleden. In hoeverre is daar een blijvende invloed vanuit gegaan op onze cultuur? De generatie die het rijtje Kleine Soenda-eilanden (Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores, Timor) nog uit het hoofd kan opzeggen, wordt steeds kleiner. De oud-Indiëstrijders zijn inmiddels hoogbejaard. De Verenigde Oost-Indische Compagnie wordt nog wel eens naar voren gehaald als symbool van de vroegere Hollandse ondernemingslust. Maar in die tijd waren we ook actief op het gebied van de slavenhandel. Uit onze literatuur, van Multatuli tot Hella Haasse, zijn de tropen niet weg te denken. Veel steden hebben nog hun Indische buurten. Laten we ook de populariteit van de rijsttafel niet vergeten.
Betrekkelijk grote groepen Molukkers, Surinamers en Antillianen herinneren ons nog steeds aan ons koloniale verleden. Landen als Denemarken of Zweden missen dat allemaal. Maar hoe vergelijk je de invloed die van onze koloniale activiteiten op de Nederlandse cultuur is uitgegaan met bijvoorbeeld de betekenis die de Joodse gemeenschap voor onze cultuur heeft gehad?
Verlichting
Dat het christendom van grote invloed is geweest op onze cultuur spreekt zo vanzelf, dat het niet nodig is daarvoor de bewijzen op te sommen. Daarnaast is er de invloed van de klassieke oudheid: het Romeinse recht en de Griekse filosofie. Vooral in de renaissance is daar op teruggegrepen. Een gymnasiumopleiding staat bij tal van ouders nog steeds hoog genoteerd. Wel is de tijd voorbij dat je voor veel universitaire studies een gymnasiumdiploma nodig had.
Onmiskenbaar is onze cultuur door de verlichting heen gegaan. Het godsgeloof werd van een vanzelfsprekendheid tot een aangevochten zaak. Velen braken met het christendom, anderen die nog wel godsdienstig bleven (zowel in het protestantse als in het rooms-katholieke kamp) gaan veel vrijer met de Bijbel en de traditionele leerstellingen om dan in vroeger eeuwen gewoon was.
Daarnaast moeten we de betekenis van het hoge welvaartsniveau, de opkomst van de industrie eerst en van de dienstensector daarna (en parallel daaraan de forse terugloop van de agrarische bedrijvigheid) niet onderschatten. De geweldige toename van medische kennis leidde tot een sterk toegenomen levensverwachting. Gemotoriseerd transport en nieuwe communicatietechnologieën verminderden het belang van de factor afstand. De globalisering manifesteert zich ook door de opmars van de Engelse taal en de invloed van een wereldwijde muziek- en amusementscultuur.
Islamitische invloeden
Ten slotte worden wij vanaf het laatste kwart van de 20e eeuw geconfronteerd met de islam. Zowel met een snelgroeiende islamitische minderheid in eigen land als met bedreigende ontwikkelingen in de islamitische wereld. Wellicht vond men in de middeleeuwen of in de 17e eeuw de Joden net zo vreemd als wij de islam, maar die groepering was in ieder geval door haar omvang niet bedreigend.
Ongetwijfeld zullen de moslims hun sporen in onze cultuur nalaten. Wisten we vroeger niet wat een boerka was, wat halal betekende, wat de ramadan inhield, wat de jihad voorstelde en dat er een groot verschil is tussen soennieten en sjiieten, inmiddels is dat anders geworden. In steeds meer plaatsen maken moskeeën deel uit van het straatbeeld. Maar de moslims blijven een minderheid. De Joden vormden voor de oorlog in Nederland een kleine 2 procent van de bevolking, de islamieten staan nu op 6 procent. Maar velen van hen zien zelden of nooit een moskee van binnen. Er is geen reden om aan te nemen dat de islamitische bevolkingsgroep immuun is voor de krachten van assimilatie en secularisatie.
Maar zoals het feitelijk overdreven is om te spreken van de joods-christelijke grondslagen van onze cultuur (daarvoor zijn de Joden nooit belangrijk genoeg geweest) is het niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd sprake is van een joods-christelijk-islamitische cultuur. Aangenomen tenminste dat men in Nederland en Europa de komende decennia zo verstandig is om in woord en daad een restrictief immigratiebeleid te voeren.
Moderniteit als maatstaf
Een aantal mensen, zowel in het seculiere als in het religieuze kamp, ziet de hier wonende moslims als een grote bedreiging voor onze cultuur. Vandaar dat Wilders onlangs met een wetsontwerp kwam om het dragen van de boerka in het openbaar te verbieden. Een dergelijk gewaad stond volgens hem haaks op de moderniteit. Maar ja, de moderniteit kan toch ook onze maatstaf niet zijn. Alles bij elkaar genomen is tegenwoordig het probleem bij veel dames eerder dat ze zich te weinig in plaats van te veel bedekken.
Vanuit de Bijbel gezien is veel van wat in onze moderne cultuur normaal gevonden wordt en zelfs wordt aangeprezen en voorgeschreven, volstrekt af te keuren. Daar zijn helaas voorbeelden genoeg van te geven. We kunnen ons dus niet zonder meer opwerpen als verdediger van de westerse waarden, ook al zijn die op een aantal punten zeker te verkiezen boven bijvoorbeeld de islamitische cultuur. Maar de kritiek van moslims op de decadentie van het Westen bevat wel zo veel waarheidselementen, dat we daar niet aan voorbij kunnen gaan.
Het moet ons gaan om de christelijke grondslagen van onze cultuur. Maar ook bij die formulering zijn kanttekeningen nodig. Er is niet voor niets een Reformatie geweest om ons „uit de gruwelijke afgoderij des Pausdoms te verlossen”, om het nog eens te formuleren in de termen die onze vaderen destijds gebruikten. Lang niet alles wat in brede kring beschouwd wordt als christelijke tradities en christelijke waarden en normen, draagt die naam met recht.
Protestantse natie
In orthodox-protestantse kring zag men de ontstaansgeschiedenis van Nederland altijd in nauw verband met de reformatie van de kerk. Nederland was historisch gezien een protestantse natie. Vandaar dat Kuyper zijn partij beschouwde als de vertegenwoordiging van de grondtoon van ons volkskarakter. Vandaar dat Kersten het door hem bestreden gezantschap bij de paus zag als een „krenking van het Calvinistisch karakter van het Nederlandsche volk.”
Feitelijk was er van dat calvinistische karakter in Kerstens tijd al weinig meer over en bij de oprichting van de ARP, een halve eeuw eerder, overheerste de liberale grondtoon van ons volkskarakter. Maar in deze formuleringen lag duidelijk ook een normatief element. Die calvinistische grondtoon was van grote waarde en moest daarom onder het puin vandaan gehaald worden.
In de huidige constellatie heeft een beroep op de christelijke waarden die vanouds dragend waren voor onze cultuur, iets van: redden wat er nog te redden valt. Door de Joden er bij te halen en te spreken over joods-christelijke waarden, lijkt het nog weer iets meer voor te stellen. Nu kunnen we inderdaad blij zijn met iedereen die nog enig besef heeft van goed en kwaad. Of dat nu onder rooms-katholieken, vrijzinnig-protestanten, humanisten, Joden of moslims is. Maar die opstelling is alleen verantwoord als je ook oog hebt voor de wezenlijke verschillen.