Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Minister Plasterk verstuurt brief te vroeg

 Een zitting van de CGB.

Een zitting van de CGB.

Minister Plasterk had het advies van de Raad van State over de enkelefeitconstructie moeten afwachten voordat hij zijn brief over het homobeleid op (reformatorische) scholen had verstuurd. Bovendien vaart hij blind op een advies van de Commissie Gelijke Behandeling, stelt mr. E. F. Lagerwerf-Vergunst.
Veel is reeds geschreven over de brief die minister Plasterk vorige week aan de scholen stuurde. Er is uitvoerig gediscussieerd over de zogenaamde enkelefeitconstructie. Eén, niet onbelangrijk, facet is mijns inziens onvoldoende belicht.

Minister Plasterk reageerde verbaasd op de ontstane commotie, omdat hij niets anders zou hebben gedaan dan bestaand beleid weergeven. In het commentaar in deze krant van 30 april wordt de minister in dit opzicht bijgevallen, waar wordt gesteld dat „de minister in zekere zin gelijk heeft als hij zegt het bestaande beleid aan papier te hebben toevertrouwd.” De brief van de minister blijkt namelijk gebaseerd te zijn op een advies van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) en de schrijver van het commentaar veronderstelt kennelijk dat de CGB in dit advies bestaand beleid heeft uiteengezet. Dit is echter een misvatting.

Passage

Het gaat mij om de volgende passage uit de brief van de minister. „Scholen voor bijzonder onderwijs kunnen wel van (aspirant-)medewerkers vragen dat zij, door middel van het ondertekenen van een verklaring, de grondslag van de onderwijsinstelling onderschrijven. Voor de uitwerking van de grondslag kan in de verklaring worden verwezen naar de statuten of andere documenten van de onderwijsinstelling. Wanneer in de uitwerking echter is opgenomen dat de grondslag onder meer inhoudt dat ongehuwd samenwonen of het hebben van een homoseksuele relatie niet past binnen deze opvattingen, dan maakt de onderwijsinstelling onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid. Dit onderscheid kan niet met een beroep op de uitzondering van artikel 5 , tweede lid, onderdeel c, Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) worden gerechtvaardigd. Deze eis leidt immers tot onderscheid op grond van het enkele feit van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.”

Deze passage is bijna letterlijk overgenomen uit het advies van de CGB. De CGB behandelt de vraag of een christelijke school een homoseksuele leraar mag weigeren omdat zijn levenswijze niet met de grondslag van de school verenigbaar is. Direct nadat in het advies de twee oordelen die de CGB in haar vijftienjarig bestaan over deze materie heeft gegeven, zijn besproken, volgt de hierboven geciteerde alinea, met dat verschil dat in het advies van de CGB rechtstreeks naar de Bijbel wordt verwezen. „Wanneer in de uitwerking bijvoorbeeld is opgenomen dat de grondslag onder meer inhoudt dat opvattingen over relaties en huwelijk zijn gebaseerd op de Bijbel en dat derhalve ongehuwd samenwonen of het hebben van een homoseksuele relatie niet past binnen deze opvattingen, dan maakt de onderwijsinstelling onderscheid op grond van burgerlijke staat en homoseksuele gerichtheid.”

De plaats van deze alinea wekt de suggestie dat de inhoud ervan voortvloeit uit de twee besproken oordelen en derhalve staand beleid is. Dat is echter niet het geval. Sterker nog, de inhoud van deze alinea staat haaks op hetgeen hieromtrent in een van de oordelen staat. De commissie overweegt in die zaak dat vaststelling van grondslag en doel alsmede de betekenis ervan voor het stellen van bepaalde eisen aan een specifieke functie primair bij het schoolbestuur zelf ligt.

Vervolgens stelt zij dat de eis van het niet als homoseksueel samenwonen, gelet op het doel van de instelling, noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de grondslag. „Het overdragen van normen en waarden ten aanzien van samenleven en seksualiteit vloeide voort uit de grondslag van de onderhavige onderwijsinstelling.” In het andere besproken oordeel is evenmin een aanknopingspunt te vinden voor de gewraakte alinea.

Stellingen

Een ander –niet in het advies besproken– oordeel handelt over een reformatorische school die sollicitanten een formulier ter ondertekening voorlegde met daarin stellingen die voort zouden vloeien uit de grondslag. Een van de stellingen luidde: „Op grond van de Bijbel wordt het huwelijk beschouwd als de enige samenlevingsvorm waarbinnen de seksualiteit als een gave van God haar plaats heeft. Ongehuwd samenwonen en een homoseksuele levenswijze dienen door het personeelslid als in strijd met Gods Woord te worden afgewezen.”

De commissie zegt hierover het volgende. „Het uitdragen van de reformatorische visie hoort tot de pedagogische doelstelling van de school; hiertoe heeft zij zich jegens het bestuur en de ouders verplicht. De school acht het in het formulier weerge­geven gedachtegoed inherent aan haar grondslag. Dit geldt ook voor het gestelde ten aanzien van het huwelijk, ongehuwd samenleven en een homoseksuele leefwijze. Zij acht het voor de verwezenlijking van haar grondslag nodig dat de waarden-overdracht door een docent plaatsvindt met inachtneming van die grondslag. De Commissie concludeert op grond hiervan dat de school door de gevraagde ondertekening van het formulier een eis stelt, die gelet op haar doel noodzakelijk is voor de verwezenlijking van haar grondslag. De Commissie constateert dat de school op grond van de AWGB de vrijheid heeft eisen te stellen die nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Deze eisen mogen niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat. De Commissie dient aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te beoordelen of hier sprake van is.” Met andere woorden, louter het gegeven dat de school eist dat sollicitanten een dergelijk formulier ondertekenen, betekent niet dat de school per definitie in strijd met de AWGB handelt.

Bocht

De gewraakte passage in zowel het advies van de CGB als de brief van de minister staat haaks op hetgeen de CGB in eerdere oordelen hierover heeft gesteld. Er is dus zeker geen sprake van bestaand beleid.

De vorige keer dat de CGB een bestaande jurisprudentielijn omboog –in het advies over de trouwambtenaar– maakte zij dit inzichtelijk en motiveerde zij dit, weliswaar aan de hand van juridisch ondeugdelijke argumenten.

Wachten

Dit keer tracht zij geruisloos een 180 gradenbocht te maken. Dit maakt het gezag van de CGB, die het voor de uitvoering van haar niet verplicht naleefbare oordelen van haar gezag moet hebben, bepaald niet sterker.

En wat betreft de minister: hij had er goed aan gedaan het advies van de Raad van State over de enkelefeitconstructie af te wachten in plaats van blind te varen op het advies van de CGB.

De auteur is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en oud-plaatsvervangend lid van de Commissie Gelijke Behandeling.


Lees ook: Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek