Het verdient aanbeveling om meer aandacht te geven aan het rekenen op papier. Vooral zwakkere rekenaars en jongens zijn hierbij gebaat, betoogt dr. Marian Hickendorff.
Rekenen op de basisschool is een onderwerp van verhitte debatten. Een belangrijke voedingsbron daarvan is ontevredenheid over het prestatieniveau van leerlingen. Uit de peilingen die Cito elke vijf tot zeven jaar uitvoert, blijkt dat groep 8-leerlingen de laatste twintig jaar op onderdelen beter zijn gaan presteren, maar op andere onderdelen flink achteruit zijn gegaan. Dit laatste geldt met name voor opgaven die op papier mogen worden uitgerekend zoals optellen, aftrekken, vermenigvuldigen en delen met grotere getallen.
Teleurstellend is verder dat de prestaties op de meeste onderdelen achterblijven bij de gestelde onderwijsdoelen. Hoewel de Nederlandse leerlingen nog steeds hoog staan in de lijstjes van internationale vergelijkende onderzoeken, zijn zij wel aan het dalen.
Een heet hangijzer in de discussie is het veranderde rekenonderwijs ten gunste van het realistisch rekenen. Daarin staan begrip, inzicht en flexibiliteit centraal, en wordt minder belang gehecht aan de vaardigheid in het correct uitvoeren van een (standaard)rekenprocedure, zoals de staartdeling. Het realistisch rekenen heeft uitgesproken voor- en tegenstanders.
Een adviescommissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) waaraan ik als toegevoegd onderzoeker heb deelgenomen, heeft gepoogd deze strijd te beslechten. De hoofdconclusie van het rapport van 2009 was dat het beschikbare onderzoek geen eenduidige conclusie toelaat over welk type rekeninstructie beter is. Een tweede conclusie was dat de discussie eigenlijk over het verkeerde onderwerp gaat: hét realistisch en hét traditioneel rekenen bestaan namelijk niet. Het is dan ook tijd om deze welles-nietesdiscussie te beëindigen en samen te zoeken naar punten waarop het rekenonderwijs verbeterd kan worden.
In mijn promotieonderzoek heb ik dan ook samen met collega’s en studenten gekeken wat het al beschikbare onderzoeksmateriaal ons kan leren over de vraag waarom groep 8-leerlingen achteruit zijn gegaan op het vermenigvuldigen en delen met grotere getallen, op zoek naar aanknopingspunten hoe we deze dalende trend kunnen stoppen en hopelijk keren.
Daarbij ontdekten we dat de achteruitgang op het gebied van vermenigvuldigen en delen deels komt doordat leerlingen deze opgaven vaker uit het hoofd zijn gaan uitrekenen. Omdat rekenen uit het hoofd minder vaak het goede antwoord oplevert dan rekenen op papier, is dit een ongunstige verschuiving.
Maar dat is niet het hele verhaal: er is nog een andere zorgelijke ontwikkeling. Leerlingen zijn namelijk de laatste jaren zowel op papier als uit het hoofd minder goed gaan rekenen op dit type opgaven.
Vervolgonderzoek heeft verder uitgewezen dat er grote verschillen zijn tussen leerlingen in hun keuze tussen rekenen uit het hoofd of op papier, en in hoeverre ze de meest geschikte strategie kiezen. Opvallend is dat jongens hun keuze vooral laten afhangen van het snelheidsvoordeel van het hoofdrekenen, terwijl meisjes meer gericht zijn op het vinden van het goede antwoord. Zij pakken daarvoor vaak potlood en papier, ook al kost dat misschien wat meer tijd.
Waarom zijn leerlingen meer uit het hoofd gaan rekenen de laatste jaren? Een mogelijke verklaring is de toegenomen aandacht voor hoofdrekenen en voor handig rekenen. Dit zou wel eens ten koste kunnen zijn gegaan van niet alleen de vaardigheid om op papier te rekenen, maar ook van het beoordelingsvermogen wanneer het veilig is om uit het hoofd te rekenen en wanneer er beter papier gebruikt kan worden.
Dit is vooral een probleem voor de zwakkere rekenaars, die door lastige opgaven uit het hoofd uit te rekenen hun prestatieachterstand nog verder vergroten. Een concrete aanbeveling is dan ook om de aandacht voor het rekenen op papier te versterken: zowel hoe het moet als wanneer het verstandig is te doen. Vooral zwakkere rekenaars en jongens zullen hierbij gebaat zijn.
Maar waarom moeten kinderen eigenlijk nog leren rekenen op papier wanneer iedereen op zijn mobiele telefoon een rekenmachine heeft zitten? Het kortste antwoord is dat het nog steeds een van de officiële kerndoelen van het basisonderwijs is, en naar mijn mening terecht. Maar dat ontslaat beleidsmakers niet van de verantwoordelijkheid om de onderwijsdoelen kritisch te evalueren.
Een veelgehoorde kritiek op het ministerie is dat het zich te veel met het ”hoe” van het onderwijs heeft bemoeid. Een minder vaak gehoorde, maar minstens zo relevante kritiek is dat het zich te weinig met het ”wat” heeft bemoeid, zo stelde ook de commissie-Dijsselbloem. Zolang er geen overeenstemming is over wát kinderen moeten kennen en kunnen aan het einde van de basisschool, is de strijd over hoe het rekenonderwijs eruit moet zien zinloos.
De auteur is als onderzoeker verbonden aan de Universiteit Leiden. Vorige week promoveerde zij op een onderzoek naar de effectiviteit van het rekenonderwijs.