Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Laatste woorden Oranje historisch

De laatste woorden van Willem van Oranje, „Mijn God, heb medelijden met mij en dit arme volk”, zijn volgens sommigen niet historisch. Dr. C. R. van den Berg stelt op grond van bronnenonderzoek dat de prins stervend dit gebed wel degelijk heeft uitgesproken.
Op 10 juli 1584 –nu dus 425 jaar geleden– werd Willem van Oranje in Delft vermoord. Deskundigen onderzoeken momenteel de aanslag, de bekendste uit onze geschiedenis. Het bedrijf DelftForensics gaat grondig te werk en wenst ook de loden doodskist te openen. Dat lijkt mij niet respectvol.

In 1584 vertoefde Balthasar Gerards te Delft, voorwendend een verjaagde hugenoot te zijn. Spoedig genoot hij het vertrouwen van Oranje. Gerards kocht twee pistolen, nota bene van een lijfwacht. Op de 10e juli trof hij doel. Hij wilde daarna de stadsgracht over zwemmen. Er stond een paard klaar. Hij is echter gearresteerd en op 14 juli voor het stadhuis terechtgesteld. Ondanks schone beloften verklaarde Rome hem niet om zijn ”vrome daad” zalig.

Hoewel de moord in 1882 is onderzocht, roepen verschillende aspecten nog steeds vragen op. Inmiddels beschikt de wetenschap over laserstralen, luminol om sporen van ijzer en bloed te traceren en technieken om de kogelbaan te volgen. Weinig bekend is trouwens dat Gerards eerst over het hoofd van een jonge page, Dirk Missesang, schoot.

Later zijn verslagen gedrukt, met gravures als sfeertekening. Het was onmogelijk de situatie ter plaatse correct weer te geven. Maar het ”collectieve geheugen” nam aan dat alles gebeurde zoals de afbeeldingen suggereerden.

Er bestaan echter twijfels over de kogelgaten, die pas in de 19e eeuw voor het eerst werden afgebeeld. Zijn ze vergroot door bezoekers, die steentjes en gruis meenamen? Het is de zelfs de vraag of Oranje bij een trap is vermoord, want het pand is later ingrijpend verbouwd tot kazerne, waar de locatie van het misdrijf tegen betaling te bezichtigen was. Wellicht werpt het onderzoek nieuw licht op diverse tot nu onbeantwoorde vragen.

Het onderzoek richt zich alleen op de omstandigheden en de toedracht van de moord. De betekenisvolle laatste woorden van de prins, „Mijn God, heb medelijden met mij en dit arme volk”, blijven buiten beeld, terwijl ook daarover discussie bestaat. Sommigen verwijzen ze naar het rijk der fabelen, want zo’n schot zou direct dodelijk zijn. Dus is het gebed ‘apocrief’, een vorm van persoonsverheerlijking.

Mij lijkt dat onjuist. Bronnenonderzoek maakt namelijk duidelijk dat getuigen Oranjes laatste woorden hebben verstaan. Na de moord verlangden de Staten-Generaal een nauwkeurig verslag, dat is opgesteld door Pierre Loyseleul, de hofprediker en secretaris. Hij vermeldt dit gebed.

De stalmeester Jacques de Malderee ving de prins direct op en beluisterde uit diens mond: „Ach Gott, erbarme dich meiner und des armen Volcks.” Een dag later informeerde Loyseleul de koning van Frankrijk en vermeldde de bede in het Frans.

Moedertaal

Gravin Van Schwartzenburg, een zuster van de prins, was bij de moord aanwezig en hoorde de prins die woorden zeggen. Hij is direct naar de eetzaal gedragen, waar zij zijn hoofd op haar schoot legde en hem voorhield: „Herr, in deine Haende bevehle ich meine Geist”, waarop de prins zachtjes „ja” antwoordde. Het gebed is ook gehoord door de hervormd geworden Keulse keurvorst-bisschop Von Waldburg. Hij logeerde bij de prins.

Eeuwenlang lagen op de Dillenburg twee banden van graaf Jan van Nassau met documentatie over de moord. Die berusten nu in het Koninklijk Huisarchief. Oor- en ooggetuigen geven daarin aan wat Oranje verzuchtte. Ook twee Engelse officieren in het Nederlandse leger rapporteerden hun vorstin, koningin Elizabeth I, over de moord en vermeldden zijn laatste woorden. De vorstin herhaalde die in een brief aan de weduwe, Louise de Coligny, tot troost.

Een sterk bewijs is verder de brief van Maria van Nassau, de oudste dochter van Willem van Oranje. Zij was getuige van de aanslag en deed op 17 juli 1584 schriftelijk verslag aan haar tante Juliana, die in Rudolstadt woonde. Daar bewaart men deze brief nog. Maria citeerde de laatste woorden van haar vader in het Frans, de hoftaal. Velen in Nederland hebben de woorden op school geleerd in het Frans, maar gezien het bovenstaande lijkt het mij waarschijnlijker dat de prins ze sprak in zijn moedertaal, het Duits.

Zonneklaar blijkt dat diverse getuigen, onafhankelijk van elkaar, deze zin weergeven. Uit niets is een afspraak op te maken om de prins te ‘verheerlijken’ door middel van een verzonnen gebed.

Verhoord

Zou de bede van de stervende prins zijn verhoord? Misschien werd daar zelden of nooit over nagedacht. Ik meen dat dit inderdaad het geval is. God bevoorrechtte Nederland in de 16e en de 17e eeuw. Ik denk dan niet in de eerste plaats aan de overwinning op Spanje, of de welvaart in de gouden eeuw. Nee, vooral aan de verkondiging van Gods woord en de bloeitijd voor de kerk.

De auteur is historicus en bestuurslid van de geschiedkundige vereniging Oranje-Nassau.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek