In de recente discussies over schepping en evolutie valt op dat allerlei auteurs, hoewel ze het evolutionisme als levensbeschouwing afwijzen en God als Schepper belijden, toch onderdelen van de evolutieleer willen inpassen in het christelijke denken. Bij hen die het begin van Genesis anders willen lezen dan op de klassieke wijze is een bepaalde teleurstelling in het creationisme te merken (tenminste voor zover men daar kennis van heeft genomen) en een aanvaarding van gedeelten van de evolutietheorie.
René Fransen begint zijn recente boek ”Gevormd uit sterrenstof” met natuurwetenschappelijke gegevens en herinterpreteert daarna de Bijbelgedeelten vanuit dat perspectief. In een interview in het Nederlands Dagblad zegt hij: „Vergis je niet, het bewijs voor evolutie zal zich de komende jaren opstapelen.” Als je dat inderdaad van mening bent, valt er erg veel aan te passen aan de Bijbeluitleg. Naar mijn overtuiging overschat hij de wetenschap en kunnen er vanuit dat kader niet zulke stellige uitspraken gedaan worden over de oorsprong van het leven.
Het is daarom van het grootste belang dat christenwetenschappers zich echt verdiepen in deze zaken, vooral wetenschapstheoretisch: wat zijn legitieme uitspraken in de wetenschap en wat niet? Hoe houdbaar zijn de vooronderstellingen en de resultaten?
Vervolgens rijst de vraag of de deelnemers aan de recente discussie over schepping en evolutie het creationisme recht doen. Kent men het werkelijk?
Junker en Scherer geven in hun boek ”Evolution: Ein kritisches Lehrbuch” terecht eerst een wetenschapstheoretische en historische inleiding. Daarin staat helder beschreven dat zowel de evolutieleer als de scheppingsleer veronderstellingen heeft die slechts (in een bepaald geloof) aangenomen en niet bewezen kunnen worden. Beide zienswijzen vereisen grensoverschrijdingen, terwijl hun randvoorwaarden buitenwetenschappelijk van aard zijn.
Simplistisch
Hoe verschillend beide benaderingen ook zijn, ze ontwikkelen theorieën die toetsing mogelijk maken en in het wetenschappelijke debat thuishoren. Tegenover de mening van veel critici dat de veronderstelling van een scheppingsleer inhoudt dat de resultaten van tevoren vaststaan en dat die niet toetsbaar zijn, moet het duidelijk zijn dat er hypothesen ontwikkeld worden die wel degelijk onderzocht kunnen worden.
Het aantrekkelijke van hun –met Duitse grondigheid geschreven– boek is, dat het eerst de waargenomen verschijnselen beschrijft en dat pas daarna verschillende verklaringsmodellen besproken worden, elk met hun voor- en nadelen.
Van 1979-1989 heb ik lesgegeven op de Evangelische Hogeschool en daar vrij goed kennisgemaakt met het creationisme. Enerzijds vond ik het moedig om alternatieve wetenschappelijke modellen op te stellen, anderzijds kwamen verschillende verklaringen wat simplistisch over. De exegese van Bijbelteksten was soms eenzijdig en de zondvloed moest een verklaring vormen voor wel erg veel problemen. Toch was er toen ook al enige variatie in opvattingen te bespeuren.
Wat mij de laatste tijd opvalt, nu ik mij opnieuw verdiep in deze zaken, vooral met het oog op de boeken Genesis en Job, is dat de ontwikkelingen duidelijk verder zijn gegaan. Er komen meer hoogwaardige wetenschappelijke publicaties uit creationistische hoek. Daarbij wil ik vooral het RATE-onderzoek noemen, het uitgebreide onderzoek naar dateringsmethoden. Ook is er een grondiger bezinning gekomen op de exegetische uitgangspunten. Dit is winst.
Wat mij betreft verdient het wetenschappelijk creationisme veel meer aandacht in Nederland dan het krijgt, en dat geldt vooral de theologen. Juist omdat zulke fundamentele zaken in het geding zijn, is het opvallend dat er bij hen zo veel onbekendheid is met deze literatuur. Meer kennis ervan zou een gezond tegenwicht bieden tegen het al te snelle accepteren van onderdelen van de evolutietheorie.
Prof. G. van den Brink geeft in zijn bijdrage in ”En God beschikte een worm” terecht aan dat dit onderwerp de zondeleer, de Godsleer, de soteriologie (verlossingsleer) en de christologie raakt. Hij doet zijn uiterste best om deze onderwerpen veilig te stellen.
Inspiratie
En prof. W. J. Ouweneel geeft nadrukkelijk aan: „De Bijbel is historisch betrouwbaar, want het heil van God hangt niet in een of ander onhistorisch of bovenhistorisch luchtledig, maar ligt ingebed in de heilsgeschiedenis. Wie in Christus gelooft, zal toch ook ernstig nemen wat Hijzelf ons verteld heeft over bijvoorbeeld Abel en Noach. Op dezelfde wijze spreekt ook Paulus over Adam en Eva. Ook in Gen. 1-11 hebben wij voluit te maken met historische realiteit. Het Nieuwe Testament spreek met duidelijke vanzelfsprekendheid over de historiciteit van de schepping, de zondeval en de zondvloed.” Met deze woorden handhaaft hij veel belangrijke zaken.
Dat klinkt heel wat beter dan René Fransen, die in zijn boek na een korte uiteenzetting over de oerknal, een oude aarde en de evolutietheorie een poging doet om Genesis 1-11 anders te lezen. Hij geeft niet slechts een herinterpretatie van Genesis 1, maar ook van Genesis 2 (de schepping van de vrouw), Genesis 3 (de zondeval), Genesis 6-8 (de zondvloed) en Genesis 11 (de spraakverwarring).
Ik wil graag aannemen dat bij de genoemde auteurs een oprechte behoefte aanwezig is om geloof en wetenschap met elkaar te verbinden en tevens om zo min mogelijk struikelblokken voor christelijke wetenschappers op te werpen. Het is echter goed te beseffen dat we op deze manier gaan naar een andere opvatting over de inspiratie van de Bijbel.
Prof. J. Douma schrijft in zijn boekje ”Genesis”: „De schrijver ging uit van de dingen die hij om zich heen zag. Hij zag het verschil tussen licht en duister, zee en land, de wateren boven en de wateren beneden (…) In zijn voorstelling was er ook licht zonder dat de zon nog scheen, (…) Van de wereld die hij zag, heeft hij, geleid door Gods Geest, getuigd dat God haar geschapen had (…) Hij plaatste de beschrijving van de schepping in het kader van de werkweek zoals hij die kende, met de sabbat aan het eind ervan.”
Hoewel het goed klinkt als er staat „geleid door Gods Geest”, is het toch menselijke waarneming die de beschrijving van Genesis 1 vorm heeft gegeven. Bovendien wordt hier precies het omgekeerde gezegd als in Exodus 20:11: daar wordt gezegd dat we de sabbat moeten houden na een werkweek, omdat God dat ook gedaan heeft. Hier wordt het omgedraaid: de bestaande werkweek met sabbat dient als model voor de beschrijving van de sabbat.
Waar komt Genesis 1 vandaan? Heeft God zich zo geopenbaard aan mensen? Dan moeten we het accepteren zoals het tot ons komt, al roept het veel vragen op, zoals trouwens alle eeuwen van de kerkgeschiedenis al het geval geweest is. De andere mogelijkheid is om het hoofdstuk te beschouwen als het product van menselijk nadenken over de schepping, al of niet met behulp van Gods Geest. Gezien de houding van Christus en de apostelen kies ik met overtuiging voor de eerste benadering.
Conflictmodel
Als we kiezen voor een menselijke beschrijving, heeft dat duidelijk gevolgen voor de inspiratieleer. Als we daarin andere keuzes gaan maken, heeft dat ingrijpende consequenties voor andere terreinen van de theologie, zoals de exegese. De geschiedenis leert ook dat dan de genoemde onderwerpen als zondeleer, Godsleer, soteriologie en de christologie ook anders opgevat gaan worden. De opvattingen over de schepping, zoals in Genesis 1-3 beschreven, vormen een fundament. Wie het fundament verandert, zal moeten beseffen dat het hierop gebouwde huis nooit hetzelfde kan blijven.
Op grond van het voorgaande loop ik het gevaar ingedeeld te worden bij het ”conflictmodel”, bij degenen die geloof en wetenschap als tegengesteld beschouwen. Toch doet dat geen recht aan mijn positie.
Ik wil in de eerste plaats de exegetische wetenschap recht doen. In die discipline valt op dat allerlei zaken die wij niet begrijpen in toenemende mate gebruikt worden om de tekst van Genesis 1-3 tot een speciaal genre te maken dat weinig meer met historiciteit van doen heeft. Dit lijkt mij niet correct, evenmin als het inlezen van hypothesen over de evolutie.
De geschiedenis van de exegese laat zien dat de tijdgeest bijna altijd de exegese beïnvloedt. Wie zich daarvan niet bewust is, loopt het gevaar in de tekst te lezen wat hij graag wil zien. Datzelfde geldt voor de interpretatie van kerkvaders en andere exegeten.
Tevens wil ik de natuurwetenschappen, biologie en geologie volstrekt serieus nemen. Maar de literatuur daarover laat zo veel hypothesen zien en zo veel tegenstrijdige beweringen, dat ik het niet nodig vind een hoge ouderdom van de aarde aan te nemen. Anders gezegd: in de wetenschap zelf ben ik nog niets tegengekomen dat dwingt om de evolutietheorie te aanvaarden, waardoor het wenselijk zou zijn het boek Genesis anders te gaan lezen. Laten wij de grote beperktheid van wetenschappelijke theorieën, ook van de evolutietheorie, onder ogen zien.
Betere uitweg
Genesis 1-3 en andere Bijbelgedeelten blijven teksten die ons voorstellingsvermogen te boven gaan. Maar vanuit de compositie van het boek Genesis is het wel duidelijk dat God deze wereld niet al te lang geleden geschapen heeft, in een situatie die ”goed” was, dat Adam en Eva de eerste mensen waren, van wie het gehele menselijke geslacht afstamt, en dat door toedoen van deze eerste mensen de schepping in een vervallen positie kwam. Dit geloof is ook door de kerk der eeuwen beleden, vaak in oppositie tot andere opvattingen.
Laten wetenschappers onder ons de wetenschappelijke theorieën van allerlei aard vervolgens kritisch bezien en eventueel alternatieven ontwikkelen. Dat lijkt mij een betere uitweg dan steeds weer opnieuw bekijken hoeveel rek er in de Bijbelteksten zit.
Natuurlijk blijven wetenschappelijke hypothesen elkaar tegenspreken. En zeker als het gaat over de oorsprongen, waarbij veel zaken buiten de wetenschappelijke verificatie blijven, zal er nooit een algehele consensus komen. Toch kan en mag op deze manier het geloof in God de Schepper het fundament van ons bestaan blijven, en behoeven wij ons verstand niet uit te schakelen.
De auteur is docent Oude Testament aan de Christelijke Hogeschool Ede en hoogleraar aan de Evangelische Theologische Faculteit in Heverlee (België).