Echter, haar eigen fractie heeft twijfels over de voorgenomen inperking van het aantal koopzondagen. Het CDA vindt namelijk dat in deze tijd van recessie de gevolgen voor werkgelegenheid zwaarder wegen. Hoog tijd om een aantal misverstanden uit de wereld te helpen.
1. Het wetsvoorstel richt zich op het handhaven van de wet, niet op aanscherping daarvan. Die zegt namelijk zowel nu als wanneer het wetsvoorstel wordt aangenomen, dat er in een jaar tijd, wanneer de gemeenteraad daartoe besluit, op twaalf zondagen winkels geopend mogen zijn. Meer openstelling mag onder de vlag van het toeristische regime.
CNV Dienstenbond is tegen de uitbreiding van het aantal koopzondagen en stelt daarnaast ook dat het huidige aantal voldoende is. Van inperking, zoals beweerd wordt is volgens ons helemaal geen sprake.
Geen omzetstijging
2. De discussie over de gevolgen van de huidige economische crisis en de vraag naar extra koopzondagen is een onzinnige. Er is geen sprake van een significante omzetstijging, zeker niet bij mkb-bedrijven. Het is veel eerder een verschuiving dan een stijging van de omzet die plaatsvindt. De kosten voor de opening (licht, verwarming en de toeslag van 100 procent op het loon van medewerkers die werken op een zondag) wegen daarbij vaak niet op tegen de omzet op een koopzondag. Mkb-bedrijven worden daartoe gedwongen onder het juk van grootwinkelbedrijven.
3. Wie werkt er eigenlijk op zo’n koopzondag? De belangen van de medewerker worden volledig ondergeschikt gemaakt. De arbeidstijdenwet en veel cao’s stellen regelrecht dat werken op zondag vrijwillig is. De term ”gedwongen vrijwilligheid” is een gevleugelde uitspraak in de detailhandel. Of, zoals zeer recentelijk bij een grote blauwe supermarktonderneming is vastgesteld: ”Mochten er geen namen op het planningsbord voor werken op Vaderdag komen te staan, dan gaan we vrijwilligers aanwijzen.”
4. Het grootste misverstand zit hem echter in het veronderstelde banenverlies waarover Detailhandel Nederland (werkgeversorganisatie) de noodtoestand wil uitroepen als het aantal koopzondagen niet uitgebreid wordt. De voorgenomen aanscherping van de winkelsluitingswet zou leiden tot het verlies van wel 20.000 banen, beweren werkgevers. Dat valt niet te bewijzen. Wel een feit is dat de kwaliteit van de banen in de detailhandel sinds de komst van de koopzondagen in 1996 ernstig is verslechterd.
Hulpkrachten
Want, over welke banen hebben we het eigenlijk? Uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) over werkgelegenheid en lonen komen een paar schokkende feiten naar voren. Volgens het CBS waren er in 1995 nog 204.000 fulltimebanen in de detailhandel. Daarvan waren er in 2005 nog slechts 175.000 over. In een periode van tien jaar is dus 15 procent van de voltijdbanen in de detailhandel verloren gegaan, terwijl in Nederland in zijn algemeenheid de beschikbaarheid van voltijdbanen beperkt groeide.
Dat de sector toch banengroei kende, heeft te maken met de groei in deeltijdwerk. Het aantal deeltijdbanen in de detailhandel blijkt wel gegroeid te zijn, met 47.000 fte’s. Een groot deel van die banen is naar deeltijders jonger dan 20 jaar gegaan, voornamelijk hulpkrachten (studenten en scholieren). En die werken vooral op zondag in een winkel.
Voor werknemers tussen de 20 en de 30 jaar laat de detailhandel bijzonder slechte resultaten zien qua gerealiseerde werkgelegenheid. Op alle fronten (ook deeltijdwerk!) wordt aanzienlijk minder groei of een sterkere krimp gerealiseerd dan in de economie in haar algemeenheid. Volgens CNV Dienstenbond is daar de invloed van het (getrapte) minimumjeugdloon en de daaruit voortvloeiende leeftijdsdiscriminatie jegens ”oudere jongeren” debet aan. Ruimere winkeltijden moeten bekostigd worden met bezuinigingen op personeelskosten.
Frappant is dat juist een partijgenoot van minister Van der Hoeven, toenmalig CDA-Kamerlid Smits, al in 1995 waarschuwde voor de gevolgen van de koopzondag. Hij was bezorgd dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt de toch al moeilijke positie van ongeschoolde jongeren en parttime werkende vrouwen nog verder onder druk komt te staan. Het wordt schier onmogelijk gemaakt om een volwaardige boterham te verdienen in de detailhandel. De parttimers en fulltimers met een vast en lang dienstverband worden een uitstervend ras.
Wassen neus
Wanneer werkgevers moord en brand roepen over een vermeend banenverlies zouden zij zelf eerst eens moeten kijken naar hun eigen maatschappelijke verantwoordelijkheid. De banen die zogenaamd op de tocht staan zijn geen volwaardige banen. Die zijn allang verdrongen. De extra werkgelegenheid die in het vooruitzicht gesteld wordt bij uitbreiding van het aantal koopzondagen is een wassen neus. Nog meer (met alle respect voor de hulpkracht) ”pulpcontracten”, nog minder echte werkgelegenheid waaraan juist in deze economische tijden behoefte is.
Kortom, de onzin van de koopzondag als banenmotor moet maar eens gestopt worden. Het CDA doet er goed aan naar de feiten kijken bij zijn overweging om de huidige economische recessie mee te nemen in zijn afweging om de koopzondag uit te breiden. Werk waar de gemiddelde medewerker een eerlijke boterham mee kan verdienen, helpt de economie beter dan een verdergaande versnippering van de werkgelegenheid in kleine parttimebaantjes.
De auteur is bestuurder van CNV Dienstenbond.