Juridische basis burgerinitiatief ”Sloop de muur” uiterst zwak

Juridische basis burgerinitiatief ”Sloop de muur” uiterst zwak -  Foto RD, Sjaak Verboom

Foto RD, Sjaak Verboom

De juridische basis voor het burgerinitiatief ”Sloop de muur” is uitermate wankel, betoogt dr. Matthijs de Blois. Volgens hem hoeft de veiligheidsbarrière in Israël niet gesloopt te worden.

Als de plannen doorgaan zal oud-premier Van Agt dinsdag namens het burgerinitiatief ”Sloop de muur” een petitie aanbieden aan de Tweede Kamer. Gelet op het aantal handtekeningen –meer dan 65.000– zal de Kamer over het onderwerp een debat moeten voeren. Doel van de actie is de Tweede Kamer ertoe bewegen aan te dringen op zware sancties tegen Israël, zoals politieke isolatie, het stopzetten van economisch verkeer en het vervolgen van oorlogsmisdaden. Dit alles omdat de Joodse staat een ‘muur’ (in werkelijkheid voor het grootste deel ‘hek’) heeft gebouwd op ‘Palestijns gebied’.

Volgens de initiatiefnemers is de bouw van de muur in strijd met het internationaal recht. Men baseert zich in dat verband kritiekloos op het op 9 juli 2004 door het Internationaal Gerechtshof uitgebrachte niet-bindende advies hierover. Bij het advies kunnen echter enkele kritische kanttekeningen worden geplaatst.

Het advies doet allereerst geen recht aan de complexe historische en juridische werkelijkheid die de achtergrond vormt van de huidige situatie in Israël en de gebieden Judea en Samaria inclusief oostelijk Jeruzalem (in de media vaak: Westbank), die liggen ten oosten van de ”groene lijn”. De groene lijn is de in 1949 tussen Israël en Jordanië na de onafhankelijkheidsoorlog overeengekomen wapenstilstandslijn.

Het Internationaal Gerechtshof kwalificeert deze gebieden ten onrechte zonder reserve als „bezette gebieden”, met alle juridische consequenties van dien. Het hof ziet om te beginnen echter de centrale betekenis van het Palestina­mandaat van 24 juli 1922 over het hoofd. Daarin werd door de Volkenbond aan het Britse rijk het bestuur over Palestina verleend met als kernverplichting: het tot stand brengen van het Joods nationaal tehuis (art. 2), in ieder geval in het gebied ten westen van de Jordaan. In het mandaat was verder voorzien in de bevordering van de Joodse immigratie en vestiging.

Het gebied ten oosten van de groene lijn tot aan de Jordaan, dat sinds 1948 bezet was door Jordanië, is in juni 1967 onder Israëlische controle gekomen na een oorlog gevoerd ter bescherming van zijn eigen bevolking tegen agressie. Het gaat bij de omstreden gebieden dus niet om bezet gebied in de zin van de Vierde Geneefse Conventie van 1949 waarbij een staat grondgebied van een andere staat bezet houdt.

Het Internationaal Gerechtshof gaat hieraan voorbij en beschouwt de Joodse nederzettingen in de omstreden gebieden als zonder meer strijdig met het aan een bezettende macht opgelegde verbod om delen van de eigen bevolking te deporteren of te verplaatsen naar het ”bezette gebied”.

Bij vrijwillige vestiging door ”settlers” die gebruikmaken van het in het mandaat gegeven recht tot vestiging is daarvan echter geen sprake. Het is gelet op de geschiedenis wel bijzonder bitter dat van Israël verlangd wordt om de omstreden gebieden, inclusief het oostelijk deel van Jeruzalem ”Judenrein” te maken.

Het is verder onbegrijpelijk dat het hof in zijn advies nauwelijks serieus aandacht gaf aan de overwegingen die Israël ertoe hebben gebracht om de veiligheidsbarrière op te richten. Doel daarvan was de bescherming van de Israëlische burgers die sinds het begin van de tweede intifada (september 2000) geteisterd werden door afschuwelijke (zelfmoord)aanslagen, waarbij 900 burgers de dood vonden en duizenden werden gewond.

De veiligheidsbarrière is een relatief vreedzaam en geweldloos middel om terroristen tegen te houden. Dit is voor de bevolking van de omstreden gebieden vele malen gunstiger dan een gewapenderhand optreden tegen terroristen.

Het absolute dieptepunt van het advies is de wijze waarop het hof zich afmaakt van Israëls beroep op het recht op zelfverdediging in artikel 51 van het VN-handvest. Dit zou beperkt zijn tot het geval van een gewapende aanval van een staat tegen een andere staat. Omdat Israël claimde dat het ging om aanvallen van terroristische groepen en niet van andere staten zou een beroep op artikel 51 uitgesloten zijn.

De tekst van dit artikel beperkt het zelfverdedigingsrecht echter in het geheel niet tot aanvallen door een andere staat. Aan Israël werd met andere woorden het recht ontzegd om zijn meest fundamentele staatstaak uit te voeren: de verdediging van de eigen burgers tegen geweld. Het hof ging dus voorbij aan het niet alleen voor Israël relevante gegeven dat moderne oorlogvoering veelal niet plaats vindt tussen twee of meer ‘reguliere’ staten, maar dat het tegenwoordig vooral gaat om conflicten tussen een staat en een of meerdere terroristische groepen.

Mijn slotsom is dat de juridische basis voor het burgerinitiatief uitermate wankel is. De veiligheidsbarrière is juridisch goed verdedigbaar en behoeft niet gesloopt te worden.

De auteur is universitair hoofddocent aan de afdeling rechtstheorie in Utrecht.

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek