1. Geborgenheid roept de sfeer van gevaar en onzekerheid op. Opmerkelijk vaak maakt Calvijn gewag van angst en vrees. Hij was zich bewust van de godsvervreemding en de menselijke autonomie die in de lucht zaten. Die dreiging joeg hem schrik aan. Waar het godsbesef slijt en God niet langer heilig is, raakt de samenleving op drift en ontworteld en is niets meer veilig, zoals onze eigen tijd laat zien.
Tegen deze dreiging is alleen het vaste geloof in Gods regering en voorzienigheid bestand. Dat is voor Calvijn de sleutel tot de geborgenheid die ik bedoel. Gods voorzienigheid heeft voor Calvijn niets te maken met een onpersoonlijk rad van fortuin, maar alles met het besef dat God voor Zijn kinderen zorg draagt en hen voorziet van wat ze nodig hebben.
Calvijn straalt deze geborgenheid niet alleen uit, maar deelt deze ook uit. En hij weet waar ze te verkrijgen is. Waar dan? Waar vind je deze zorgzame Vader? In Christus, in Wie de Vader ons Zijn hart verklaart. Als Calvijn dáárover begint, komt hij helemaal op dreef.
Maar waar is nu Christus Zelf te vinden? In de Schrift. Calvijn knoopt hier het appel aan vast dat we de Bijbel dan ook met díé intentie moeten lezen, om er Christus in te vinden. Het geschreven Woord is voor Calvijn een brief uit Gods hart, waarin ons het heil en de Heiland Zelf worden verkondigd. God spreekt via de Schrift zó tot ons „alsof Zijn levende stem uit de hemel wordt vernomen.”
Stille tijd
Daarom pleit Calvijn ervoor om ons dagelijks te oefenen in het lezen van de Heilige Schrift. Stille tijd dus! „Oefen je dus gedurig”, schrijft hij, „in het je eigen maken van de woorden die ons in de Schrift gegeven zijn. Laat alles goed tot je hart doordringen, zodat je het direct bij de hand hebt als de nood aan de man komt.”
Toch is het geprédikte Woord volgens Calvijn het gebeuren waar God Zich bij uitstek laat ontmoeten. Als het Evangelie wordt bediend zoals het behoort en Christus ons voor ogen wordt geschilderd, is Hij als de Gekruisigde in ons midden, om al onze zonden weg te vagen.
Calvijn wist zich juist te midden van alle culturele, politieke, kerkelijke en persoonlijke spanningen geborgen in de eeuwige God, Die ons in Christus Zijn hart verklaart. Het is een geborgenheid die hij al zijn lezers gunt en aanprijst. En als ik jou was -voeg ik er vanmorgen aan toe- zou ik er in deze tijd van kantelende zekerheden niet aan voorbijgaan! Er passeert vaak zo veel verbijsterends in de wereld om ons heen, dat je er geen touw meer aan vast kunt knopen. Van Calvijn kun je leren het touw van je vertrouwen vast te knopen aan Gods voorzorg en Vaderliefde.
2. Het tweede paneel van het drieluik betreft een zaak die ik typeer met het woord ”beschikbaarheid”. Wat ik ermee bedoel kan ik het best illustreren met een ingrijpend gebeuren in Calvijns leven.
In juli 1536 doet hij Genève aan op doorreis naar Straatsburg om daar zijn theologische studie te vervolgen. Guillaume Farel, een van de Geneefse predikanten, zoekt hem op. „Jou hebben we hier nodig.” Calvijn protesteert. Maar het duurt niet lang of de vurige Farel springt op: „Ben jij bezorgd voor je rust? Als je weigert je met ons aan de zaak van God te wijden, zal Zijn vervloeking je treffen. Want je zoekt niet Christus, maar jezelf.” Calvijn heeft geen keus, hij blijft.
Na twee jaar wordt hij echter uit de stad verbannen vanwege zijn reformatorische maatregelen. Na enkele jaren keert in Genève het tij en dringt men aan op Calvijns terugkeer. Zijn eerste reactie is: „Liever op staande voet sterven dan voortdurend op die pijnbank van Genève te worden gemarteld!” Maar algauw wordt de roep hem te sterk en moet hij opnieuw capituleren. Aan Farel schrijft hij de gevleugelde woorden: „Ik breng mijn hart aan de Heere ten offer.”
Zelfverloochening
Dit is óók Calvijn. Geborgenheid betekende geen gezapigheid of gelatenheid, maar afhankelijkheid en beschikbaarheid. Deze existentiële grondhouding geeft hij stem in het boek dat hem de meeste faam zou bezorgen, de ”Institutie”. Ongeveer in het midden van zijn vierdelige handboek wijdt hij een hoofdstuk aan het christelijke leven. Wat hij daar te berde brengt, lijkt me van blijvend belang, zeker ook voor onze tijd, waarin de heiliging van een christen soms wordt voorgesteld als een triomftocht van goed naar beter tot best.
Calvijn houdt de heiliging dicht bij de rechtvaardiging, of liever: hij houdt ze onverbrekelijk bij elkaar. Dat wil zeggen: als je zonden zijn vergeven, krijg je tegelijk een hekel aan de zonde. Je bent niet meer van jezelf, maar van een Ander, Jezus Christus. De heiliging van het leven is een opgave die helemaal op Gods gave berust. Geen dwangbuis, maar vrijheid. Maar dan geen vrijheid om te doen waar je zelf zin in hebt, maar wat God welgevallig is.
Op die weg vorderen we wel, maar niet in triomf. We gaan, vindt Calvijn, onze weg vaak kruipend en hinkend, elke dag een klein eindje voorwaarts en hunkerend naar de dag waarop we alle gebrek en gebrokenheid mogen afleggen. Groeien in de heiliging, waarover vandaag nogal eens gesproken wordt, betekent dan ook kleiner worden in jezelf, het meer en meer van God verwachten en hoe langer hoe minder van jezelf.
Zo valt het te verstaan dat de hoofdzaak van het christenleven voor Calvijn de verloochening van onszelf is. In dit verband noteert hij: „Wij zijn niet van onszelf, laten wij dus zo veel mogelijk onszelf vergeten.” Het onmiddellijke gevolg hiervan is de liefde tot de naaste. Dat is een streep door de rekening van het huidige individualisme, waarin de vraag centraal staat hoe ík aan mijn trekken kom. Voor Calvijn staat het leven niet in het teken van eigenbelang en zelfontplooiing, maar van dienstbetoon.
Onmiddellijk daarop laat hij een hoofdstuk volgen over het dragen van het kruis. Dat noemt hij een deel van de zelfverloochening. In het kruisdragen krijgt de verbondenheid aan Christus concreet gestalte. Hij is het Die ons in de navolging het kruis oplegt. Hoe rijkere genadegaven iemand ontvangt, hoe meer hij Christus, de Kruisdrager, gelijkvormig wordt.
Zet dit geen domper op het leven van de heiliging? Calvijn weet wel beter. In de smidse van het lijden, met alle kwellende raadsels en vragen, rust God ons toe met volharding, om ons eenmaal de lauwerkrans uit te reiken. Hoe ongerijmd ook voor het verstand, midden in de misère kan men in dit perspectief toch vrolijk zijn.
Reddingsboot
3. Het is te begrijpen dat Calvijn op dit hoofdstuk over het kruisdragen direct een betoog laat volgen over de overdenking van het toekomende leven. Het is zo echt Calvijns, en tegelijk zo urgent voor onze tijd, dat ik daarvoor afzonderlijk de aandacht vraag.
Calvijn beseft diep dat het leven op aarde gebroken is en onze heiliging ten dele. Het is met het christenleven als met drenkelingen die in een vliegende storm veilig zijn in een reddingsboot, maar nog niet de haven hebben bereikt. Ze zijn nog onderweg, maar het vasteland wenkt, en de Redder is aan boord en staat garant voor de thuiskomst.
Calvijn weet zich een vreemdeling die onderweg is. Eerlijk is eerlijk, dit besef staat nogal haaks op het levensgevoel dat óns veelal in de greep heeft. Wij zijn gewoonlijk zozeer in de ban van de agenda van alledag, dat het uitzien naar de jongste dag erbij inschiet. Dat is onder de maat! Van Calvijn kunnen we leren wat het is om pelgrim te zijn die naar huis verlangt, gaandeweg Hem tegemoet.
Dat dit grondbesef niets afdeed van de trouw aan zijn roeping hierbeneden, wordt door heel zijn levensweg bewezen. Calvijns inzet en productiviteit grenzen aan het onwaarschijnlijke. Maar uitgerekend heel dit rusteloze leven voltrok zich niet ondanks, maar dankzij het uitzien naar de eeuwigheid. „Niets inspireert ons zo tot een vruchtbaar, toegewijd leven als de hoop op de eeuwigheid.”
Toch aarzelt Calvijn niet om van een verachting van het tegenwoordige leven te spreken. Hoe verantwoordt hij deze paradox? Enerzijds is het aardse leven aan God te danken en is het, voor zover het in godsvrucht wordt geleefd, niet minder dan een weldaad. Maar zodra men dit leven verabsoluteert en aan Gods gebod en belofte onttrekt, wordt het een valstrik. Dat is de andere kant. En het is precies deze verabsolutering die Calvijn in zijn renaissancistische omgeving waarneemt en onder kritiek stelt.
Waartegen Calvijn zich verzet -en dat lijkt me heel actueel- is een ideologie waarin het tijdelijke leven los van God wordt genoten als het een en het al. Wat men vandaag schaamteloos propageert in literatuur en reclame is de slogan: Je leeft maar één keer en haal er dus uit wat erin zit. Calvijn haalt niet uit het aardse leven wat erin zit, maar drinkt uit de Bron van het leven wat dáárin zit: hoop en volharding om te wachten op de dag waarop God de laatste traan van de ogen wist en het met de gebrokenheid zal gedaan zijn.
Dit betekent allerminst dat dit voorlopige leven louter kommer en kwel zou zijn. Niet voor niets distantieert de reformator zich van de notie dat het aardse alleen gebruikt, maar niet genoten mag worden. Hij vindt het wel degelijk geoorloofd Gods goede gaven te genieten. Hij prijst het zelfs ruimhartig aan.
Soli Deo gloria
Tot besluit klappen we de panelen van het drieluik even dicht. En dan zien we een tafereel waarop Calvijns diepste bedoeling bondig is uitgetekend. Het bestaat uit drie kapitale letters: SDG, soli Deo gloria. Alleen God de eer. Dat is Calvijn ten voeten uit.
De auteur is emeritus hoogleraar vanwege de Gereformeerde Bond aan de Universiteit Utrecht.