Hoe moeten we ons de eerste christelijke gemeenschappen in de heidense wereld voorstellen? Wie waren de eerste lezers en hoorders van de brief aan de Romeinen of aan de Korinthiërs? Dat zijn zinvolle vragen, omdat voor een goed verstaan van een Bijbeltekst de context bijzonder belangrijk is.
De brief aan de Romeinen is ongetwijfeld een van de belangrijkste delen van de Bijbel. De Statenvertalers merken in hun inleiding op deze brief op dat ze „met recht gehouden wordt voor een sleutel van het recht verstand der gehele Heilige Schriftuur.” Door deze sleutel krijgen we toegang tot het Evangelie van Gods genade. Laten we deze brief daarom maar veel lezen, bemediteren en bepreken.
De Romeinenbrief heeft ook in de geschiedenis van Gods kerk een zeer grote rol gespeeld. We kunnen denken aan Augustinus, Luther en Kohlbrugge. Loop ook het Schriftbewijs bij de Dordtse Leerregels eens na: keer op keer komen we de brief aan de Romeinen tegen. Kortom, deze brief is door Gods Geest in het bijzonder gebruikt om Gods boodschap in de wereld te brengen en om zondaren te trekken uit de duisternis. Niet voor niets zal er dus veel uit gepreekt worden.
Arm
Maar wie waren nu de eerste lezers? Wie waren de eerste christenen in Rome eigenlijk? Onwillekeurig hebben we de neiging om achter deze lange brief onze eigen kerkelijke structuren te denken. We denken dan al snel aan een forse gemeente met de nodige problemen.
Zeker, er waren zorgen, maar of de vroegchristelijke gemeente in Rome nu ook werkelijk zo veel leden telde, is maar de vraag. In een boek van de nieuwtestamenticus Tom Wright las ik het volgende. „Als we het hebben over de kerk van Rome moeten we natuurlijk niet denken dat daar al een grote kerk stond waar iedere dag honderden christenen naartoe en omheen liepen. Hoofdstuk 16 geeft ons een beter beeld: een aantal huizen waar christenen bijeenkwamen om God te dienen, te bidden, onderwijs te geven of te ontvangen en brood te breken. Er waren waarschijnlijk niet meer dan 100 christenen op een stad van ten minste 1 miljoen inwoners. Misschien waren het er zelfs nog minder.”
En even eerder schrijft Wright: „De kans is aanzienlijk dat deze geweldige brief voor het eerst werd voorgelezen in een volgepakte kamer van een huis in de laaggelegen, arme buurt, vlak bij de rivier (de Tiber) tegenover het centrum van de macht.” Kijk, dat is belangrijke informatie bij het lezen van de brief aan de Romeinen, een gedeelte van Gods onfeilbaar Woord.
Indrukwekkend dat God deze brief, die zo diep ingaat op de heilsbetekenis van Christus en die voor zo velen tot een eeuwige zegen is geweest, oorspronkelijk gericht heeft aan een klein groepje mensen in een miljoenenstad. God richt Zich in Zijn wereldwijde boodschap tot enkele mensen, „geliefden Gods, geroepen heiligen”, in Rome.
Wie had ooit durven en kunnen denken dat daar in die grote stad Rome Gods welbehagen onder slaven, Spanjaarden, vrouwen, joden, heidenen en kinderen voorspoedig zou voortgaan? Wie had kunnen denken dat God dáár Zijn uitverkorenen, een zeer multicultureel gezelschap, bijeenbracht?
Die God is ook vandaag niet veranderd. Zouden er in Amsterdam, Bombay, Tokio en New York ook niet zulke kleine huiskamergroepjes kunnen zijn? Laten we niet gering denken van God en Zijn aanwezigheid. Juist geringe middelen en plaatsen wil Hij gebruiken om grote dingen uit te werken.
Spanje
Het tijdstip van het ontstaan en het eerste voorlezen van deze brief, ergens rond 58 na Christus, is ook ontroerend. Een opmerkelijk jaar, want ongeveer zes jaar laten staat Rome in brand. Mogelijk heeft keizer Nero die brand zelf gesticht, de deskundigen verschillen erover van mening. Ten onrechte werden de christenen ervan beschuldigd; zij werden verbrand, gemarteld en gedood.
Hoe kostbaar moeten voor deze mensen de woorden van de Schrift, deze brief van Paulus, zijn geweest. Wie zal beschuldigingen inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? (Rom. 8:33) Kennis van de achtergrond geeft de woorden concrete inhoud. Je zult er maar staan, onschuldig, en dan naar de arena of als een brandende fakkel in de tuin van het paleis. Wie zal beschuldigingen inbrengen?
Ten slotte nog iets. Paulus schrijft deze brief ook aan de broeders in Rome omdat zijn werk in het oostelijke deel van de Middellandse Zee is voltooid. Hij gaat zijn zendingswerk verleggen naar het westelijk deel. Spanje is zijn volgende doel. Ook daar wil hij de goede boodschap van de gestorven en opgestane Zaligmaker voor zondaren brengen. De gemeente van Rome wordt zijn thuisbasis. Een groepje van honderd mensen wordt de basis van waaruit het westelijk deel van het rijk voor het eerst met het Evangelie zal worden bereikt.
Wie zegt er dat een kleine gemeente niet aan zending kan doen? Kennelijk zijn we dan het begin van de zending in West-Europa vergeten. Paulus dacht daar anders over. Gelukkig maar, anders was het goede nieuws wellicht nooit naar de Lage Landen gekomen.
De kerk staat er op dit moment in West Europa niet best voor. Misschien moeten we de Romeinenbrief weer woord voor woord gaan lezen, om te beseffen hoe God werkt en hoe Zijn welbehagen ook vandaag voortgaat. Het waren er niet meer dan honderd die het goede nieuws in een eenvoudige woning hebben gehoord. Het ontroert en bemoedigt. De kerk heeft een levende Zaligmaker. Ook vandaag.
De auteur is predikant van de gereformeerde gemeente in Amersfoort. Reageren? goedbekeken@refdag.nl