Volgens Calvijn kan ook de financier een nuttige functie vervullen in de maatschappij. Geld is een middel om mensen met elkaar te verbinden. Door geld kunnen zij delen in de goederen van anderen. Tegelijkertijd verbond hij wel strikte eisen aan het uitlenen van geld. Een van die restricties is dat wij de lening niet aan condities onderwerpen die wij, als wij zelf zouden lenen, onacceptabel zouden vinden. Calvijn ontleent deze restrictie aan de gouden regel uit Lukas 6:31: Behandel anderen zoals je wilt dat ze jou behandelen.
Als bankiers dit principe van wederkerigheid hadden toegepast, had dit ertoe bijgedragen dat de kredietcrisis minder heftig zou zijn geweest. Zij hadden zichzelf niet toegestaan om de spaartegoeden die hun door onwetende spaarders waren toevertrouwd op een zeer risicovolle wijze te beleggen. Als zij zelf spaarder waren geweest, hadden zij ook liever gezien dat de banken minder hadden gegokt met het geld dat hun was toevertrouwd.
Een tweede restrictie die Calvijn opwerpt is dat het niet geoorloofd is van geldschieter je beroep te maken. Hij acht de morele gevaren daarvan te groot. Ieder die er zijn beroep van maakt, door bijvoorbeeld een bank op te richten, dreigt een rover te worden.
Calvijn vindt het onwaardig als iemand geld verdient uit de arbeid van de landlieden, die zich met dagelijkse arbeid vermoeien, de werklieden, die met veel zweet anderen dienen, en de kooplieden, die zich niet alleen met inspanning afmatten, maar ook veel ongemakken en gevaren ondergaan. Het is vreemd en oneerlijk als degene die het geld uitleent zelf in een luie stoel kan zitten en leeft van de arbeid van anderen.
Bonuscultuur
Alhoewel men zich kan afvragen of Calvijns afwijzing van banken nog wel past binnen de huidige economische verhoudingen, is zijn waarschuwing dat het beroep van bankier corrumpeert toch nog steeds actueel. De bonuscultuur in het bankwezen is volstrekt uit de hand gelopen.
Hier is ook Calvijns analyse van de hebzucht en de vergelijking met alcoholverslaving verhelderend. Net zoals alcoholverslaafden keuzes maken die hen niet verlichten en hun werkelijke behoeften dienen, zo ook wanneer hebzucht het hart van mensen in beslag neemt. De riante bonussen lijken inderdaad benevelend te hebben gewerkt en bankiers tot onverantwoorde risico’s aangezet. Dit heeft geleid tot grote schade aan belanghebbenden en de samenleving.
Juist in deze sector is betrouwbaarheid een van de belangrijkste deugden en dat laat zich moeilijk combineren met hebzucht. Zelfs nu banken als Fortis schipbreuk lijden, willen degenen die daar verantwoordelijk voor zijn geweest zich hun bonussen niet laten onthouden. Dit komt in de buurt van de roverij waar Calvijn bankiers voor waarschuwt. Niet alleen hebben de belangen van beleggers grote schade opgelopen, maar ook de tegoeden van spaarders blijken in gevaar te zijn gekomen. Het is alleen dankzij de overheid dat de spaargelden van spaarders nog grotendeels intact zijn gebleven, maar uiteindelijk zijn het dan de belastingbetalers die gedwongen worden om de prijs van dit roekeloos gedrag te betalen. Indirecte roverij dus.
Overmatige rente
Tot slot veroordeelt Calvijn ook het vragen van overmatige rente. Om deze grenzen aan lenen effectief te doen zijn, pleit Calvijn voor sterke overheidsregulering. Hij wist de autoriteiten in Genève te overtuigen van een wettelijke regeling waarbij het wettelijk geaccepteerde rentepercentage op 5 procent (later 6,66 procent) lag, een relatief lage rentevoet voor die tijd. Calvijn was dus beslist geen voorstander van liberaal kapitalisme. Ook voor de huidige kredietcrisis is Calvijns steun van overheidsregulering relevant. Niet zozeer in de vorm waarvoor Calvijn pleitte -maximale rentevoet- maar wel in de vorm van toezicht op risicobeheer. De kredietcrisis stelt immers het vrijemarktfundamentalisme ernstig onder kritiek. Zelfs Alan Greenspan, voormalig voorzitter van de centrale bank in de VS, moest toegeven dat de vrije markt gefaald heeft.
Als het eigenbelang niet voldoende prikkelt tot verantwoord bankieren, dient de staat verantwoordelijkheid te nemen om de zelfzucht te beteugelen. Hij dient erop toe te zien dat banken op verantwoorde wijze hun geld uitlenen aan woningbezitters. Bijvoorbeeld door te eisen dat banken strikte voorwaarden stellen aan de kredietwaardigheid van woningbezitters, zonder uit te gaan van te optimistische verwachtingen van prijsstijgingen in de toekomst. En dat bij het doorverkopen van hypotheken aan andere banken de risico’s transparant blijven. Daardoor krijgen destabiliserende en corrumperende krachten en andere ondeugden minder ruimte. Calvijn was daar bedacht op.
Prof. dr. J. J. Graafland, de auteur, is hoogleraar economie, onderneming en ethiek aan de Universiteit van Tilburg. Reageren aan scribent? goedbekeken@refdag.nl