Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Gods genade enige troost in leven en sterven

Het ter sprake brengen van de dood en alles wat dan beleefd wordt, is voor de meeste mensen schokkend, schrijft ds. A. A. W. Boon naar aanleiding van de artikelen over bijna-doodervaringen in deze krant. Zo niet bij de reformatorische gelovigen in de 16e en de 17e eeuw. Zij fundeerden de troost en zekerheid in leven en sterven op de vaste grond van Gods genade.
Met belangstelling heb ik de artikelen over bijna-doodervaringen gelezen. Ik meen dat dr. Pim van Lommel op grond van persoonlijke getuigenissen wil aangeven dat een mens meer is dan een optelsom van moleculen en ingewikkelde biochemische processen. Hij denkt op grond van de vele bijna-doodervaringen te kunnen ’bewijzen’ dat het menselijke bewustzijn (de ziel) een extra dimensie van het menselijke bestaan is, die blijkbaar onsterfelijk is.

Het ter sprake brengen van de dood en alles wat dan beleefd wordt, is voor de meeste mensen schokkend. Dhr. W. Kropff zweeg er maar liefst dertig jaar over.

Hoe komt dat? Het blijkt dat met name de reformatorische gelovigen in de 16e en de 17e eeuw het gesprek over de dood en het eeuwige leven zochten! Een uitgebreide troostliteratuur is daarvan het bewijs. Zij legden tot aan het begin van de 18e eeuw het fundament van de waarheid inzake de onsterfelijkheid van de ziel, het eeuwige leven, het bestaan van hemel en hel niet in het moeras van ervaringen van terminale mensen. Zij bouwden op het vaste fundament van Gods openbaring in Zijn Woord en in de Heere Jezus Christus. Het leven en sterven van mensen werd in eeuwigheidslicht bezien.

Heilzaam
Wat zegt de Schrift en wat getuigt de Heilige Geest? Dat licht lieten zij ontdekkend en vertroostend schijnen over het leven en de dood van zichzelf en van hun naaste.

Wandelen wij nog in dát licht? In kerk en theologie heeft men in de 18e eeuw dit licht door de verlichting laten verdringen. Van Gods openbaring hield men alleen over wat ”wetenschappelijk” is, dat wil zeggen wat voor het menselijk verstand acceptabel is. Met de eeuwigheid en de toekomstige heerlijkheid kan de ’verlichte’ West-Europeaan niet uit de voeten: het paradijs moet op deze aarde gerealiseerd worden. Evenmin kan men uit de voeten met de ziel: het lichaam is het een en al geworden.

Het is daarom heilzaam met de reformatoren weer terug te keren tot de Bron. Voor mij was in dezen een boek van wijlen drs. K. Exalto, ”De dood ontmaskerd”, uitermate leerzaam. Daarin toont hij aan dat vanaf Luther wel het pastorale uit de rooms-katholieke stervensbegeleiding van de late middeleeuwen is overgenomen, maar dat de troost en zekerheid in leven en sterven niet langer gefundeerd werden op de onzekere bodem van goede werken, maar op de vaste grond van de genade, die God Zelf gelegd heeft in het Middelaarswerk van Jezus Christus.

In al zijn geschriften getuigt Calvijn van de schatten die hem in de geloofsgemeenschap met Christus ten deel mochten vallen voor het verleden, het heden en de (eeuwige) toekomst. Hij waarschuwt de ongelovigen: de dood, het graf en de hel zullen aan hen hun ware, angstaanjagende aard laten zien. De gelovigen worden getroost: door het geloof in Christus ingelijfd, hebben dood, graf en hel hun angel, hun prikkel verloren!

Troost
De dood is voor Calvijn het einde van de levenslange strijd tegen de zonde. Deze strijd begint bij de doop en wordt voltooid in de dood. Als bij het sterven de ziel naar de hemel gaat, zijn het heil en de zaligheid nog niet volmaakt. De ziel zal weer met het lichaam verenigd worden en beide zullen delen in de heerlijkheid, de onsterfelijkheid en de onverderfelijkheid. Dat volmaakte komt op de dag van de wederkomst van de Heere Jezus. Zeker is: de gemeenschap met Christus kan door de dood niet verbroken worden. Niets kan ons immers scheiden van de liefde Gods, welke is in Jezus Christus.

Ook aan de hedendaagse christenen stelt de Heidelbergse Catechismus nóg de indringende vraag: „Wat is úw enige troost, beide in leven en in sterven?” Het door Woord en Geest geleerde antwoord luidt dan: „Dat ik met lichaam en ziel, beide in leven en sterven, het eigendom van Jezus Christus ben.”

Die troost en zekerheid zullen tot de jongste dag betwist en betwijfeld worden door het ongeloof. Maar tot aan die dag zal voor de christenen dit geloof zijn (reddende) kracht blijken te behouden. Dan zal blijken hoe waar het is: „Het geloof nu is een vaste grond van de dingen, die men hoopt en een bewijs van de zaken, die men niet ziet” ( Hebr. 11:1).

De auteur is predikant van de hervormde gemeente te Krabbendijke.


Dossier:
Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek