Het gaat ten diepste om de vraag naar de betrouwbaarheid van Jezus Zelf. Die vraag is oneindig veel centraler dan het al dan niet letterlijk nemen van de eerste hoofdstukken van de Bijbel. De vraag wie Hij was, stelde Jezus Zelf aan de orde bij Zijn leerlingen (zie alle drie de synoptische evangeliën: Mattheüs 16:15, Markus 8:29, Lukas 9:20). Het is de sleutelvraag sinds Zijn verschijning in de geschiedenis van de mensheid.
Basis
Het vertrouwen op Hem hangt niet in de lucht, maar heeft een stevige basis; als eerste door Mozes en de profeten. Jezus zegt tegen de discipelen van Johannes dat zij maar moeten nagaan of Zijn handelen overeenstemt met wat de profeten over Hem schreven (Lukas 7:19, 16:31, 24:27, 44, Handelingen 26:22).
Verder door ooggetuigen. De evangeliën vermelden zeer uitvoerig hoe Jezus Zijn leven heeft overgehad voor zijn vrienden (Johannes 15:13) en dat Hij is opgestaan en is verschenen aan zeer velen. Paulus meldt dat meer dan 500 mensen Jezus na Zijn opstanding hebben ontmoet (1 Korinthe 15:6).
Ten derde door ondervinding. Talloze gelovigen hebben alle eeuwen hun goed en hun bloed voor Hem overgehad. Vele mensen zijn door het geloof in de God van de Bijbel tot in het diepst van hun wezen veranderd. Ook het bestaan van het Joodse volk en zijn terugkeer naar Palestina staan niet los van de beloften in Romeinen 11.
Kortom, het scharnierpunt voor alle antwoorden is allereerst de persoon van Jezus Christus en het geloof in Hem. Zonder dit geloof heeft het geen zin antwoorden te zoeken op alle andere vragen.
Fel
Maar nu de wetenschap. Hoe betrouwbaar is die eigenlijk? Een van de felste bestrijders van het christelijk geloof, Richard Dawkins, stelt: „De wetenschap biedt ons een verklaring hoe complexiteit ontstaat uit eenvoud.” Daar klopt helemaal niets van. Het is precies omgekeerd: in de wetenschap analyseren we de gehelen door die in stukjes te knippen en naar de delen te kijken. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot slechts die delen die object van ons onderzoek kunnen zijn. Vanuit de delen is zelden of nooit een voorspelling mogelijk van de gehelen. De gehelen zijn zowel in de levenloze als in de levende natuur altijd verrassend anders dan de som der delen.
Darwin heeft nog kunnen denken dat de cel alleen maar een stukje protoplasma was. Wij weten wel beter: de cel is oneindig veel complexer dan de meest ingenieuze chemische fabriek. Men leze het boek van Dawkins: ”Climbing Mount Improbable” om te kunnen vaststellen in wat voor onvoorstelbare en onwaarschijnlijke bochten hij zich moet wringen om iets als het ontstaan van het oog te verklaren.
Met een glimlach constateer ik dat deze dappere evolutionist zijn toevlucht moet nemen tot de term emergentie om te kunnen verklaren dat ”de evolutie” het oog vele malen opnieuw heeft uitgevonden. Leg er de laatste hoofdstukken van het boek Job maar eens naast en glimlach met mij mee.
Geen chaos
Het eerste wat opvalt, en wat voor zelfs de allergrootste wetenschappers een raadsel is, is de orde in de werkelijkheid. Waarom is er geen chaos? Trouwens, waarom is er iets en niet niets?
Christenen hebben een duidelijke visie op de ”overgang” van chaos naar orde, van materie naar leven: het leven is door God geschapen, los van en in vervolg op de schepping van de materie. Als iets duidelijk wordt uit Genesis, dan is het wel dat Hij erachter staat. Daar valt elk wetenschappelijk model bij in het niet.
Een wetenschappelijk bewijs voor deze visie is niet te geven, maar dat geldt nog minder voor het geloof in de materie als exclusieve bron voor het leven. Zelfs indien leven zou ontstaan uit een bepaalde combinatie van biomoleculen, blijft nog steeds de vraag wie dan wel die in de materie ingebouwde mogelijkheden heeft bedacht.
De sleutelvraag is uiteraard of de wetenschap in staat is uit zichzelf tot de conclusie te komen dat er een „eerste oorzaak”, een „Oerbeweger”, of een „Architect”’ achter de werkelijkheid stond of staat - laat staan dat zij bij machte zou zijn te zeggen dat dit de God van de Bijbel zou kunnen zijn. We moeten vaststellen dat dit onmogelijk is, en wel precies -zoals ik zei- omdat de wetenschap de weg van de reductie volgt.
Wel mogen wij hopen dat de zich verwonderende wetenschapper op zoek gaat naar de bron van zijn kennen. Zulke wetenschappers waren en zijn er in groten getale.
Pascal
De onderzoeker van deze eeuw kan zijn speuren naar het antwoord op vragen wel beginnen, maar zal dit nimmer vinden op het pad van de wetenschap. Blaise Pascal was daar achter toen hij schreef: „Het is verwonderlijk dat geen enkele Bijbelschrijver zich ooit heeft beroepen op de natuur om het godsbewijs te leveren. Allen wijzen op de weg van het geloof.”
Als wij geloven dat de God van de Bijbel identiek is aan de Architect achter de werkelijkheid die wij in onze wetenschap onderzoeken, dan vallen de schellen ons letterlijk van de ogen en zien wij de resultaten van Zijn scheppen miljardvoudig voor ons. Het is bij dit soort overwegingen geruststellend te weten dat zowel christenen als ongelovigen verkeren in dezelfde, door God geschapen werkelijkheid.
Het is daarom helemaal niet bedreigend samen met niet-gelovigen wetenschappelijk onderzoek te verrichten. Integendeel; wij mogen erop vertrouwen dat wat wetenschappelijk wordt ontdekt niet strijdig is met wat God Zelf in de schepping heeft gelegd. Geloof en wetenschap gaan prima samen.
De auteur is hoogleraar medische informatica en was eerder rector magnificus van de Erasmus Universiteit Rotterdam.