Door gebrek aan een democratisch mandaat zijn de ‘oplossingen’ voor de eurocrisis keer op keer slappe compromissen, bleke beloftes en voornemens die te laat komen of te klein zijn, betoogt prof. Ewald Engelen.
De eurocrisis is te wijten aan grove nalatigheid. Toen het bankroet van Lehman Brothers in september 2008 aantoonde dat banken veel te grote balansen hadden gebouwd op veel te weinig bufferkapitaal, hadden ook in Europa overheden banken moeten dwingen zich te herkapitaliseren. In plaats daarvan juichten Europese leiders dat de kredietcrisis, zoals het toen nog heette, het failliet van het Amerikaanse kapitalisme aantoonde en daarmee de superioriteit van het Europese model. Het gevolg van dit triomfalisme is dat banken drie jaar na de crisis nog altijd leuke bonussen uitkeren en een afwaardering van 50 procent op Griekse staatsschulden maar ternauwernood kunnen absorberen. Dat is de eerste nalatigheid.
Al even nalatig betoonden de Europese leiders zich bij het bestrijden van het schuldenprobleem van die onderontwikkelde economie en disfunctionele staat aan de rand van Europa: Griekenland. Met een omvang van niet meer dan 3 procent van de eurozone had het Griekse probleem nooit mogen uitgroeien tot de virulente besmettingshaard die het is geworden. Foute diagnoses, gemakzuchtige probleemdefinities en ontoereikende analyses hebben geleid tot oplossingen die keer op keer te klein en te laat waren. Daarmee hebben de leiders van de eurozone ieder vertrouwen bij beleggers en analisten in effectief crisismanagement verspeeld.
Nalatig was ook de oplossing die vol trots op 21 juli werd gepresenteerd. Afwaarderingen, nieuwe steun voor Griekenland, een nieuwe stresstest en herkapitalisatie voor banken, een pagina met loze frasen over een Marshallplan voor Zuid-Europa, maar niets, geen woord over een loopplank die groot genoeg zou zijn om landen zoals Spanje en Italië over tijdelijke liquiditeitsproblemen heen te helpen.
De erkenning dat dit een verwijtbare nalatigheid was, kwam schoorvoetend op 26 oktober toen simpelweg werd gestipuleerd dat het noodfonds zou worden verhoogd tot 1000 miljard euro. Helaas ontbraken concrete toezeggingen van kapitaalgaranties door de lidstaten. In plaats daarvan werd er gegoocheld met derivaten, hefbomen, verzekeringen, speciale juridische entiteiten om het fonds ten minste de schijn van financiële vuurkracht te geven. Inmiddels is het fonds dat als de bazooka had moeten dienen die de beleggers terug hun hok in had kunnen jagen, op sterven na dood.
En dat brengt mij bij de vierde nalatigheid. Afgezien van Frankrijk, dat vreesde voor zijn kredietwaardigheid, konden de lidstaten namelijk geen extra toezeggingen aan het reddingsfonds doen omdat daarvoor stomweg geen democratisch draagvlak bestond. In de woorden van Juncker: „We weten wat we moeten doen om de eurocrisis op te lossen, maar weten niet hoe herverkozen te worden wanneer we dat hebben gedaan.”
Oftewel, de oplossing van de eurocrisis laat zo lang op zich wachten niet omdat het zo’n onontwarbaar economisch probleem is, maar omdat alle werkelijk effectieve oplossingen –forse financiële toezeggingen aan het reddingsfonds, monetaire financiering door de ECB, eurobonds– stuiten op het nee van een groeiend deel van het electoraat.
Elitair
Het Europese integratieproject is altijd elitair en technocratisch geweest. Maar van oudsher kon het rekenen op de stilzwijgende instemming van het merendeel van de kiezers. Het mobiliserende verhaal van ”nooit meer oorlog” was voor oudere generaties voldoende om niet al te veel vragen te stellen bij de overdracht van rechten en bevoegdheden aan Brussel.
Dat veranderde toen door de Duitse eenwording en het ”grote akkoord” tussen Bonn en Parijs de Europese integratie in een stroomversnelling kwam. Het Duitse gevaar zou onschadelijk worden gemaakt door het land in te kapselen in een web van Europese instituties, waaronder een monetaire unie en uiteindelijk een Europese munt. In ruil daarvoor zou de centrale bank worden gemodelleerd naar de Bundesbank en in Frankfurt komen te staan.
Voor de Britten, de Denen en de Zweden was dat een brug te ver. De Fransen en de Ieren verwierpen het Verdrag van Maastricht per referendum, om het even later, via een parlementaire omweg, alsnog opgedrongen te krijgen. In alle andere lidstaten kon worden volstaan met parlementaire instemming. Daar heeft de bevolking zich nooit kunnen uitspreken over de wenselijkheid van de euro.
Nederland is altijd een van de trouwste steunpilaren van de Europese integratie geweest. Nergens was de steun voor het Europese project zo hoog en het aantal eurosceptici zo laag als in Nederland. Dat veranderde dramatisch na de introductie van de euro. Eind 2003 bedroeg het aandeel eurosceptici 34 procent, terwijl het aandeel eurofielen was gedaald tot 53 procent.
In die context vond in 2005 het referendum over het Grondwettelijk Verdrag plaats. In Nederland was het de eerste gelegenheid voor de kiezers om zich direct uit te spreken over het Europese project. Het resulteerde in een eclatante overwinning voor de eurosceptici. Ruim 60 procent was tegen het Grondwettelijk Verdrag.
Toen een paar dagen later ook Frankrijk in overgrote meerderheid tegenstemde, had dat een luide en niet mis te verstane waarschuwing voor de Europese leiders moeten zijn. Het tijdperk van stilzwijgende instemming was definitief voorbij; Europa zal democratisch zijn of het zal niet zijn. In plaats daarvan kregen de burgers van Frankrijk en Nederland hetzelfde verdrag cosmetisch aangepast volgens een inmiddels gebruikelijk recept alsnog via het parlement opgelegd.
Dat achterstallig democratisch onderhoud wreekt zich nu. Door gebrek aan een democratisch mandaat voor verdere verdieping van de Europese integratie is de bewegingsvrijheid van Merkel, Sarkozy en Rutte in Brussel beperkt. Europese besluiten worden eerst en vooral door de bril van het nationale belang bekeken. De leiders van de eurozone menen dat zij dat hun kiezers verplicht zijn. En omdat in deze crisis de belangen van de een (Duitsland) lang niet altijd parallel lopen aan die van de ander (Frankrijk) zijn de uitkomsten van Europese onderhandelingen keer op keer slappe compromissen, bleke beloftes en voornemens die steevast te laat komen of te klein zijn.
Dat momenteel in Duitsland en Nederland steeds vaker en steeds openlijker over een terugkeer naar de gulden of de D-mark wordt gesproken, hebben Rutte en de zijnen vooral aan zichzelf te wijten. Het signaal van juni 2005 is onvoldoende serieus genomen.
De trein van Europese integratie is doorgedenderd en het electoraat heeft het nakijken gehad. Nu tien jaar na de introductie van de euro dit technocratische prestigeproject in zwaar weer terecht is gekomen, zien slimme politieke entrepreneurs hun kans schoon om met onzinnige voorstellen hun electorale machtsbasis verder te vergroten.
Het onderzoek naar de kosten en de baten van een terugkeer naar de gulden, dat de PVV heeft uitgezet, is niet bedoeld als constructieve bijdrage aan de discussie over de eurocrisis, maar dient louter opportunistische doelen. De partij die haar electorale succes dankt aan multiculturele vraagstukken probeert via deze noodgreep haar eigen marginale rol in de economische discussies, die nu al drie jaar de politiek domineren, te vergroten. Samen met een groeiend deel van het electoraat kan de PVV zo beschuldigend wijzen naar de politieke elite, die van de weeromstuit te boek komt te staan als een stelletje eurofiele technocraten die zich niets gelegen laten liggen aan de wensen en behoeften van hun kiezers. Met dank aan de eigen nalatigheid.
Het zou komisch zijn als het niet zo tragisch was.
De auteur is hoogleraar financiële geografie aan de Universiteit van Amsterdam. Dit artikel verscheen eerder op de website Me Judice.