Bezoek ook andere websites van de Erdee Media Groep

Fortuyneffect, Dooyeweerd en de christelijke jeugd

In Acta Politica (jaargang 46 nr. 4) komt de vraag aan de orde hoe de LPF het Nederlandse parlementaire stelsel beïnvloed heeft. Het succes van de Lijst Pim Fortuyn bij de verkiezingen van 2002 was zonder precedent. Bovendien maakte de LPF deel uit van het groeiende aantal rechts-populistische partijen in Europa.

Aannemelijk is ook dat de partij een nieuw thema in de Nederlandse politieke discussie heeft ingebracht, te weten dat van migratie en integratie. Volgens sommige onderzoekers kan de politieke ruimte in Nederland na de opkomst van de LPF het beste worden geïnterpreteerd als tweedimensionaal. Er is zowel een economische als een culturele conflictdimensie. De laatste betrof vroeger religieuze en morele onderwerpen, maar heeft nu betrekking op de tegenstelling tussen een libertair-kosmopolitische en een autoritair-nationalistische wereldvisie.

Andere onderzoekers stellen dat de tegenstelling tussen de voorstanders van een homogene en die van een multiculturele maatschappij grotendeels samenvalt met de economische strijdvragen. Derhalve zijn zij geneigd het politieke landschap als eendimensionaal te presenteren.

Om hier meer duidelijkheid over te krijgen werd een onderzoek ingesteld naar het ondersteunen van moties in het parlement en het stemgedrag over moties. Het feit dat de LPF in één keer als middelgrote fractie in het parlement kwam, vergemakkelijkt het onderzoek.

Een analyse van de parlementaire moties in de periode 2002-2006 laat inderdaad zien dat de positie die fracties innemen ten aanzien van migratie nauw verbonden is met hun positie in sociaaleconomische kwesties. Interessant is ook dat uit het onderzoek blijkt dat ten tijde van het tweede kabinet-Balkenende het stemgedrag van de oppositionele LPF meer in overeenstemming was met dat van CDA en VVD dan het stem­gedrag van D66, die de derde regeringspartij was.

Wellicht dat met de komst van de PVV, die als het gaat om de verworvenheden van de welvaartsstaat links genoemd kan worden, het Nederlandse politieke landschap weer meer gekenmerkt wordt door twee verschillende dimensies.


In Radix (jaargang 37 nr. 3) schenkt Joost Hengstmengel aandacht aan Dooyeweerds filosofie van de economie. Hij constateert dat deze tot dusver weinig aandacht heeft gekregen. Herman Dooyeweerd geldt als een uitgesproken voorstander van een normatieve economie. Hij bouwt daarin voort op de ideeën van Kuyper.

Aan de VU is Kuypers ideaal van een calvinistische economie echter nauwelijks van de grond gekomen. Veeleer ging men ook daar uit van een positieve economie, die consequent onderscheid maakt tussen feiten, data en experimenten (wat is) en normen, meningen en wensen (wat behoort te zijn).

Bij Dooyeweerd vormt het economische een eigen wetskring. In de economie gaat het niet alleen om een efficiënte allocatie van de middelen, maar moet ook de urgentie van de behoeften aan de orde komen. Economie zonder oog voor esthetiek, recht, moraal en geloof is slechts primitief.

De in Dooyeweerds tijd dominerende neoklassieke economie zou zich bezondigen aan een natuurwetenschappelijke opvatting van economische wetten. Haar pogingen om economisch gedrag te verklaren en te voorspellen is volgens hem gedoemd te mislukken. De mens is immers meer dan een homo economicus.


Zicht (37e jaargang nr. 3) wijdt een themanummer aan jongeren en gezin. Ds. W. Markus, oud-voorzitter van de HGJB, stelt daarin de vraag aan de orde hoe we het christelijk geloof kunnen overdragen aan de jeugd.

Zelfontplooiing en zelfmanagement worden in onze maatschappij alom aangeprezen. Daarbij gaat men ervan uit dat het leven grotendeels maakbaar is. Dat is echter niet realistisch. Er is ook sprake van een tragiek en gebrokenheid waar jonge mensen niets aan kunnen doen. Op grond van de doop mogen ze echter weten dat hun Verlosser zich verantwoordelijk heeft gesteld voor het management van hun leven.

Van tieners wordt tegenwoordig veel meer gevraagd dan destijds van hun ouders of grootouders. Ze moeten al vroeg allerlei belangrijke keuzes maken. Derhalve gaat het erom hun de geestelijke bagage mee te geven die hen de goede wegen wijst. Het voorbeeld van Samuel laat zien dat ze daar niet te jong voor zijn.

Op allerlei momenten zullen tieners zich afvragen of ze wel verder willen met kerk en geloof. Daarom is het van groot belang hun de gelegenheid te geven om toewijdingsmomenten te beleven. De catechese moet de Bijbelse eenheid van leren en vieren, van begrijpen en beleven, van verstand en gevoel royaal weerspiegelen.

Missionair-apologetisch leren is eveneens van groot belang. In onze multireligieuze en multiculturele tijd is niets van het christelijk geloof vanzelfsprekend. Trouwens, ook Paulus probeerde Joden en Grieken met argumenten te overtuigen. Bovenal is van belang dat wij er bij de catechese in slagen bij de jongeren een heilig vuur te ontsteken.

Dr. C. S. L. Janse, oud-hoofdredacteur Reformatorisch Dagblad. Reageren? focus@refdag.nl

Verstuur dit artikel naar:
 *
 *
 *
 *
 
Knipsels
    Meer uit deze rubriek