Colsons antwoord was toen: het onrecht van inquisiteurs en kruisvaarders stelt niet zo veel voor in vergelijking met de dodenlijsten van atheïstische ideologieën. Hitler liet 6 miljoen Joden vermoorden en Stalin heeft ongeveer 50 miljoen moorden op zijn geweten.
Colsons vriend vond dat een zinnig antwoord. En inderdaad is het zinvol om de criticus van het christendom voor te houden dat het seculiere denken bepaald niet de vanzelfsprekende veilige haven is die het misschien lijkt. Wie de vruchten van de seculiere verlichting als superieure verworvenheden aanprijst, heeft in de massamoorden van twintigste-eeuwse seculiere ideologieën redenen genoeg voor herbezinning.
Echt christelijk?
Daarmee blijft wel het feit overeind staan dat door christenen onrecht is gedaan, ernstig onrecht soms. Op dat punt wordt een tweede reactie op de hoofdvraag van belang. Dit tweede antwoord bestaat uit het preciseren van wat ”christen-zijn” hier kan betekenen.
Zijn de daden waarover de critici het hebben, rechtsreeks uit Gods wet of uit het Evangelie af te leiden? Zo ja, dan zal de christen bestrijden dat er in die gevallen van onrecht sprake is. In de meeste gevallen zullen de critici echter denken aan wandaden die in de Bijbel zelf ook veroordeeld worden. Wat de critici in zo’n geval onrecht vinden, is dan vanuit christelijk standpunt bezien inderdaad onrecht.
Zulk onrecht kan begaan zijn door mensen die christenen heten te zijn. De geschiedenis kent vele oorlogen tussen christelijke volken. „Kan oorlog tussen christenen wel gerechtvaardigd zijn?” vroeg Hugo de Groot zich in de zeventiende eeuw al af. Hij meende van wel. „Een oorlog is rechtvaardig wanneer hij wordt ondernomen tegen degenen die onrecht begaan. Sommige christenen begaan kwaad en onrechtvaardige daden, een feit waarvan ook Christus getuigenis aflegt (Mattheüs 7:22-23). Daarom is het wettig om tegen zulke christenen wapengeweld te gebruiken.”
De mensen over wie Jezus in Mattheüs 7 spreekt, zijn voor het oog christenen, maar niet in werkelijkheid. De praktijk leert echter dat zelfs echte christenen, in weerwil van hun belijdenis van het Evangelie, tot onrechtvaardige daden in staat zijn. De Bijbel toont er de voorbeelden van. De christen van de Heidelbergse Catechismus gevoelt toch nog de neiging „tot alle boosheid.” Niet voor niets heeft de kerk regels voor tucht. Christelijke apologetiek heeft helaas ook met deze werkelijkheid rekening te houden.
Positieve resultaten
Maar er is ook iets tegenover te stellen. Daarmee komt een derde antwoord op de gestelde vraag in zicht. In zijn geciteerde radiotoespraak betoogt Colson dat de levenswandel van een bekeerde christen altijd nog beter is dan het gedrag zou zijn geweest als deze persoon geen christen was geworden. De bekering zal op de een of andere manier te merken zijn in het alledaagse leven. Het contrast tussen de levenswandel van christenen voor en na hun bekering is soms opvallend groot.
Colsons eigen levensverhaal is er het bewijs van dat het Evangelie ondubbelzinnig het leven verandert. Als rechterhand van president Nixon begin jaren 70 was hij gevreesd in het Witte Huis. Door zijn politieke manipulaties belandde hij in de gevangenis. Daar kwam hij tot bekering. „Als Colson berouw kan hebben over zijn zonden, is er hoop voor iedereen”, schreef een Amerikaanse krant. Tegenwoordig leidt Colson een organisatie voor gevangenenzorg.
Al in de Vroege Kerk wezen christelijke auteurs op de positieve verandering die de bekering teweegbrengt. Aristides, een apologeet uit de tweede eeuw, schildert de christelijke levensstijl in sobere, maar hooggestemde bewoordingen. Christenen, zo schreef hij, brengen naastenliefde in de praktijk, zelfs jegens vijanden, ze houden zich ver van overspel, ze eren hun ouders, zij liegen niet, hun oordeel over mensen is rechtvaardig, ze zijn gastvrij voor vreemdelingen en zij zien om naar wezen en weduwen.
Aristides zou totaal ongeloofwaardig zijn geweest als de toenmalige christelijke levensstijl niet behoorlijk bij deze beschrijving in de buurt zou zijn gekomen. Vandaag de dag kan dit argument niet zo onbekommerd herhaald worden. Maar ook nu kan er altijd nog op worden gewezen dat zulk gedrag de levensstijl is waartoe christenen volgens de Heilige Schrift geroepen zijn.
Deze verwijzing naar de positieve doorwerking van het christendom kan ook breder worden getrokken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in een boek van de socioloog Alvin J. Schmidt over de invloed van het christendom (2001). Schmidt wijst onder meer op de verbetering van de positie van de vrouw, de grote zorg voor de naaste, de afschaffing van de slavernij, de inzet voor onderwijs, en op christelijke invloeden op literatuur, muziek en bouwkunst.
De Amerikaanse socioloog Rodney Stark betoogt in een boek (2005) dat „vrijheid, kapitalisme en het westerse succes” aan het christendom te danken zijn. Een verwijzing naar positieve verworvenheden door de invloed van het christendom is legitiem en verdienstelijk. Zij corrigeert namelijk een onevenwichtige aandacht voor het slechte gedrag van sommige christenen. Wel is enige behoedzaamheid nodig, zodat positieve culturele verworvenheden niet de aandacht afleiden van de kern van het Evangelie.
Verder lezen over dit onderwerp:
Colsons radiotoespraak: http://www.breakpoint.org/commentaries/2188-character-witness
Korte biografie van Charles Colson: http://www.prisonfellowship.org/why-pf/bios-of-key-staff/297
Tim Keller, In alle redelijkheid. Christelijk geloof voor welwillende sceptici, Franeker 2008, p. 69-84 (hfdst. 4).
Dinesh D’Souza, Het christendom is zo gek nog niet, Amsterdam 2009, p. 255-277 (hfdst. 18 en 19).
Alvin J. Schmidt, How Christianity Changed the World, Grand Rapids 2004.
Rodney Stark, The Victory of Reason. How Christianity Led to Freedom, Capitalism, and Western Success, New York 2005.
Bij de laatste zin: A. van de Beek, ‘Religion without Ulterior Motive’, Hervormde Teologiese Studies 61 (2005), 517-529.
Aza Goudriaan, universitair docent aan de faculteit der godgeleerdheid van de Vrije Universiteit Amsterdam.
Heeft u een vraag voor deze rubriek of wilt u reageren? weerwoord@refdag.n