„Leven met de keuze van Gods liefde voor ogen. Dat is het waartoe Calvijn Israël, maar via de woorden van de profeet ook zichzelf en zijn hoorders geroepen zag. In het gebed dat hij met en voor zijn hoorders doet, krijgt dat leven een eerste gestalte, waarna het zich voortzet in het dagelijks ”ambt en beroep”.” - Foto RD
Kennelijk is er toch reden om naar ”de twijfelende Calvijn” te vragen. Maar die reden ligt dan niet zozeer bij Calvijn zelf alswel bij dat deel van zijn geestelijke nazaten dat, soms een leven lang, in twijfel verkeert omtrent de vraag: ben ik uitverkoren tot het eeuwige leven of ben ik dat niet?
Een vraag waarmee Calvijn hen heeft opgezadeld. „Niet allen worden onder dezelfde conditie geschapen”, had hij gezegd, „maar voor sommigen is het eeuwige leven voorbestemd, voor anderen het eeuwig oordeel.”
Dat kan de vraag oproepen: wat is er dan voor mij bestemd, eeuwig leven of eeuwig oordeel? Een vraag met consequenties voor de eeuwigheid. Het zijn voorwaar niet de oppervlakkigsten die zich er druk over maken.
Intussen lijkt het voor Calvijn zelf geen vraag te zijn geweest. Zo vast als hij in eeuwige verkiezing en verwerping geloofde, zo vast ook geloofde hij dat hij zelf uitverkoren was.
Niet angstig
Om hem heen lijkt de vraag ook niet gespeeld te hebben. Niet dat zijn uitverkiezingsleer geen discussie opriep. Maar die discussie ging dan vooral over de vraag of men God geen veroorzaker van het kwade maakte als men de keuze tussen geloof of ongeloof bij Hem legde en niet bij degene die voor die keuze werd gesteld.
„Laat Uw genadige verkiezing ons steeds voor ogen staan als de eerste van al de gaven van de genade die Gij ons wilt schenken”, zegt Calvijn in het gebed waarmee hij de uit-leg van het begin van het tweede hoofdstuk van de profe-tieën van Jeremia afsluit.
Toen ik dat gebed laatst in een kring van bevindelijk gereformeerden voorlas, was men verbaasd. Dat een man als Calvijn zo over de uitverkiezing sprak. Niet angstig eromheen pratend, of aarzelend, als conclusie uit wat men mogelijk als Gods werk in zijn ziel had mogen ondervinden, „maar als eerste van Gods genadegaven.”
Waar had hij die zekerheid vandaan, die hij kennelijk ook nog met zijn hoorders dacht te kunnen delen? Die zekerheid leidde hij af uit het Schriftgedeelte dat hij zojuist uitgelegd had. Daarin krijgt Jeremia de opdracht om Israël te herinneren aan de tijd dat het volk de Heere gevolgd was door de woestijn, de tijd van de eerste liefde. Inmiddels is Israël zijn God vergeten, maar God vergeet hem niet. Hij blijft bij zijn keuze voor Israël en roept via de profeet het volk op om opnieuw naar die keuze te gaan leven.
Leven met de keuze van Gods liefde voor ogen. Dat is het waartoe Calvijn Israël, maar via de woorden van de profeet ook zichzelf en zijn hoorders geroepen zag.
In het gebed dat hij met en voor zijn hoorders doet, krijgt dat leven een eerste gestalte, waarna het zich voortzet in het dagelijks ”ambt en beroep”. Dat ieder van ons lere U gehoorzaam te zijn, en zijn volle kracht in zijn ambt en beroep in Uw dienst te besteden, zegt Calvijn in een ander gebed. Zo komt het alledaagse leven in het licht van Gods roeping en verkiezing te staan.
Dordtse Leerregels
Of hij wel uitverkoren is, en of zijn hoorders dat wel zijn, vraagt Calvijn zich niet af. God zegt het ons in Zijn woord en met dat Hij het ons zegt roept Hij ons op om naar Zijn keuze te leven.
De Dordtse Leerregels kiezen, wat de bekendmaking van Gods keuze door Zijn Woord betreft, dezelfde positie, blijkens artikel 8 van het eerste hoofdstuk dat ik, behalve door mijzelf, nooit hoor aanhalen. Daar wordt gezegd „dat de Schrift ons een enig welbehagen, voornemen en raad van de wil van God voorstelt, waardoor Hij ons van eeuwigheid heeft verkoren tot de genade en tot de heerlijkheid, tot de zaligheid en tot de weg der zaligheid, die Hij bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” Niet anders dan bij Calvijn dus.
Waar is het misgegaan? Daar waar men in de weergave van de Schrift woordjes als ”ons”, ”jullie” en ”jij” door ”uitverkorenen” of, op het eerste gehoor iets milder maar even funest, door ”Gods kinderen” is gaan vervangen. Daar rijst onmiddellijk de vraag: maar wie zijn dat dan? Waarna er weinig anders opzit dan die kinderen te gaan beschrijven in de hoop dat men er in het onrustig mensenhart iets van herkennen zal.
En daar dobberen we dan, zonder houvast, op het klotsen der zielewateren. Wie zal ons redden?
De auteur is oud-legerpredikant.