”God met ons”. Zo heet Zijn Zoon; zo heet ook het rapport van de Gereformeerde Kerken dat in de adventsdagen van 1980 verscheen. De synode twijfelde niet aan de opstanding van Christus. „Er zijn niet veel gebeurtenissen uit de oudheid bekend, waarover wij zó goed zijn geïnformeerd.” Dat ook daar geen menselijke toeschouwers bij waren, doet voor de rapporteurs niets af aan de geloofwaardigheid van de opstanding.
Maar als zij terugblikken op de kwestie-Geelkerken, over de sprekende slang in het paradijs, bestempelen zij de gereformeerde vaderen tot „kinderen van hun tijd.” Die oude gereformeerden hadden de eerste Bijbelhoofdstukken laten verschrompelen tot ‘gewone’ geschiedenis, zonder te beseffen dat het hier om een bijzonder literair genre ging. Waar hebben we dat dezer dagen meer gehoord? Het rapport zaaide in 1980 het onkruid dat velen vandaag de dag aanzien voor tarwe.
”Verstaat gij wat gij leest?” Die vraag stelde niet alleen de apostel Filippus, maar ook de hoogleraar Kuitert. In een boekje met deze titel schildert hij Adam af als een gedachtespinsel dat pas ontstaan is in scholen van de rabbijnen die leefden ten tijde van Paulus. Toch is de vraag van Kuitert belangrijk. Niet alleen voor het begrijpen van de Bijbel, maar ook voor het kennen van God uit het boek van de schepping.
Gods hand kan echter niet in tegenspraak zijn met Gods woord. Wetenschappers houden ons een lange genetische stamboom voor die bewijst dat Adam en Eva een reeks aan mensaapachtige voorouders hebben gehad. God zegt ons echter dat Hij hen geschapen heeft uit stof en uit een rib. Christus bevestigt dat later in Mattheüs 19 en Markus 10. De keus is dan aan ons: de Bijbelteksten ontmantelen en afdoen als poëzie, of twijfelen aan ónze zintuigen en ónze kennis in plaats van aan Góds woord.
”Waar blijven we?” De Amsterdamse bioloog Lever schreef onder deze titel letterlijk over een bouillon waaruit miljarden jaren geleden het leven ontstaan zou zijn. Hij spant Kuyper voor zijn kar, zoals recent Trouw en CV Koers menen ook Calvijn te kunnen laten buikspreken over evolutie. Lever gelooft weinig van een wereldwijde zondvloed. De gedetailleerde beschrijving van de ark van Noach in Genesis 6 is moeilijk aan te duiden als poëzie; Lever beschouwt het echter als een geromantiseerd verhaal.
Waar blijven we, als we alles uit Gods Woord schrappen wat wetenschappelijk niet of moeilijk te verklaren is? Wie knaagt aan Genesis, tornt tegelijk aan het Evangelie. Opinieleiders en wetenschappers die hun mening over de schepping aanpassen aan de stand van de wetenschap, laden daarmee een zware verantwoordelijkheid op zich. De Schepper heeft gezegd: „Ik zal de wijsheid der wijzen doen vergaan.”