Nu lijkt het erop dat steeds meer koren en dirigenten zich ervan bewust zijn hoe de regels luiden. Dat is een mooie ontwikkeling. Organisaties als Buma/Stemra en bonden van zangverenigingen doen er dan ook alles aan om mensen erop te wijzen wat wel en wat niet mag.
Maar de vraag blijft hangen waarom er dan toch nog altijd besturen en koorleiders zijn die de richtlijnen aan hun laars lappen. Niet weten hoe het zit, kan bijna geen excuus meer zijn. Gemakzucht kan een reden zijn. Maar wie bedenkt wat er allemaal komt kijken bij het oprichten en organiseren van een koor, kan zich niet zo goed voorstellen dat het regelen van de rechten te veel tijd en energie zou vragen van een koorbestuur.
Is geld dan het probleem? Dat kan inderdaad soms de reden zijn. „Als je de letter van de wet moet naleven, kun je het koor wel opdoeken”, reageerde een dirigent van een kinderkoor. Muziek ís ook prijzig, dat zal niemand ontkennen. Toch zal ieder die een koor wil opstarten de kosten moeten berekenen. En daar horen het kopen van muziek en het opgeven van wat er uitgevoerd wordt bij.
Het lijkt dat er iets anders aan de hand is. Op de een of andere manier voelt het voor velen niet als fout om te zingen van gestolen muziek. Of in ieder geval niet als een grote overtreding. Een beetje vergelijkbaar met het gevoel dat menig christen ten aanzien van de belastingdienst heeft: je hoeft toch niet álles op te geven? Of: je gaat toch je goeie geld niet aan de overheid afdragen?
Ieder leert als kind dat je in de winkel de snoepjes pas mag opeten als je ze betaald hebt. En bij de meesten die toch een suikerbal zomaar in hun mond steken, zal het geweten gaan spreken. Datzelfde geweten lijkt echter uitgeschakeld te worden als het om illegaal kopiëren van muziek gaat.
Overigens is er dan natuurlijk veel meer te noemen dan alleen koormuziek. Bij het kopiëren van orgelmuziek, het branden van cd’s, het downloaden van muziek van internet en het vermenigvuldigen van prekenbandjes gaat het om hetzelfde principe.
Op een of andere manier hebben velen dan niet het idee dat er een eigenaar in het spel is die rechten laat gelden op zijn ’product’. En aan wie betaald moet worden voor (het gebruik van) zijn of haar creatie. Omdat je anders, als het ware, een brood bij de bakker uit de schappen steelt.
Toegegeven, het naleven van de regels is, ook voor welwillende koorbesturen, in de praktijk lastig en soms bijna onhaalbaar. Maar dat neemt niet weg dat iedereen zich aan de regels moet (proberen) te houden.
Juist christelijke koren zouden zich op dit punt moeten onderscheiden. Zij kennen immers het woord van de Heere Jezus: „Geeft dan den keizer dat des keizers is.” In deze kwestie geldt daarom: Geeft dan den rechthebbende dat des rechthebbendes is.