Kennelijk zijn de fronten verlegd, in Nederland. Seculiere kranten nemen foto’s op van biddende jongeren op de EO-dag. Christenen zijn weer nadrukkelijk aanwezig. Hun geluid wordt gehoord en het is niet verbazend dat dat weerstand oproept.
Het mag ook best een prestatie genoemd worden dat de Evangelische Omroep iedere keer weer zo’n groot publiek bijeen weet te krijgen. Het is indrukwekkend om 34.000 jongeren aandachtig te zien luisteren naar een spreker die hen waarschuwt tegen het materialisme: het droomhuis of de sportauto. Een jeugdwerker wijst de jongeren op de schuld en de leegte aan hun kant en vertolkt de reformatorische notie van verzoening door voldoening: „Hij jouw doornenkroon, jij Zijn koningskroon.” Opnieuw is het ademloos stil als hun gevraagd wordt in gebed antwoord te geven aan God.
Toch is het te vroeg om te concluderen dat het met Nederland weer de goede kant opgaat. De wortels van het verderf in de samenleving zitten diep. Die worden niet uitgeroeid doordat EO-jongeren rondlopen met een kroontje met de tekst: ”Ik ben een kind van God”. Daarvoor is meer nodig: een radicale verandering, bekering.
Niemand kan twee heren dienen. Na het stille gebed roepen 34.000 jongeren uit: „Het wordt wat met mij, in Jezus’ Naam” - maar even later gaan ze uit hun dak bij opzwepende muziek. Dat roept vraagtekens op, zowel het optimisme over hun eigen keuze als die muziek. Toen de profeet Jesaja in een visioen God te zien kreeg, riep hij uit dat hij een man van onreine lippen was. Van dat besef van de heiligheid van God was zaterdag weinig te merken. De leus van de jongeren doet denken aan de overmoed van het volk Israël, na de oproep van Jozua. Wij zullen ook de Heere dienen, zeiden ze. Maar Jozua wees hen terecht: „Gij zult de Heere niet kunnen dienen, want Hij is een heilig God”, en spoorde hen aan de afgoden te verlaten.
De grote opkomst op de EO-Jongerendag stelt echter ook vragen aan reformatorische christenen. Hoe komt het dat hier vele duizenden jongeren bijeen zijn en vrijmoedig over hun geloof spreken, terwijl de kerken in de gereformeerde gezindte grote moeite hebben om jongeren aan te spreken? Meer nog: dat steeds grotere groepen jongeren uit deze kerken de EO-Jongerendag bezoeken en zich aangetrokken voelen tot het evangelische gedachtegoed?
Hier ligt een onbetaalde rekening voor de reformatorische kerken. Jongeren prikken -terecht- door oppervlakkigheid en materialisme heen en stellen kritische vragen. Het is hard nodig jongeren liefde voor en kennis van de belijdenisgeschriften bij te brengen, in een hartelijk gesprek vanuit een doorleefd geloof.