Daarmee bedoel ik het volgende. De oorsprong van dergelijke discussies ligt bij vakwetenschappers, die op grond van bepaalde argumenten en inzichten van mening verschillen. Die verschillende meningen komen naar buiten en vervolgens verzamelen zich daaromheen groepen volgelingen. In veel gevallen kunnen zij de waarde van de wetenschappelijke argumenten voor die meningsverschillen niet of slechts ten dele beoordelen.
Dat is op zich niet erg, want de meeste dingen die je voor waar aanneemt, baseer je op gezag van anderen. Het ingenomen standpunt (van de fans) stoelt daarom meestal niet op eigen argumenten, maar op vertrouwen in de woordvoerders die hun standpunt bevestigen. Hierdoor zijn de discussies hoofdzakelijk emotioneel en niet rationeel.
Dat is een vrij normale reactie, zeker bij levensbeschouwelijke zaken. Je kunt je afvragen wat bij zulke discussies dan de rol is van de eigenlijke argumenten. Het blijkt dat die bij velen slechts in de marge meespelen. Dat komt door enkele menselijke eigenschappen.
Voor de fans kunnen we als eerste noemen de min of meer onvolledige kennis van de argumenten. Ten tweede spelen de veronderstelde (onacceptabele) gevolgen van een bepaalde opvatting een rol.
In de derde plaats worden argumenten die het eigen gelijk lijken te bevestigen, vrij kritiekloos omarmd. Argumenten die het eigen gelijk lijken tegen te spreken, worden juist heel kritisch beoordeeld. Aan deze derde eigenschap ontkomen ook de meeste wetenschappers niet. Er is hierbij wel enig verschil tussen de meer beschouwende en de experimentele disciplines. Bij de eerste groep zijn filosofische vooronderstellingen meer bepalend voor de interpretatie van gegevens dan bij de tweede groep.
Voordat mensen tegenargumenten als feitelijke gegevens willen accepteren, moeten deze wel zeer overtuigend zijn. Belangrijke rol hierbij is op welke manier de gegevens voor een bepaald argument zijn verkregen: uit reproduceerbare waarnemingen of experimenten, of zijn het verklarende veronderstellingen? Is het laatste geval liggen hieraan hoofdzakelijk de uitgangspunten van de onderzoekers ten grondslag.
Onwaarschijnlijk
Bij het onderwerp schepping/evolutie spelen deze vooronderstellingen bij velen een doorslaggevende rol. Je kunt het verleden nu eenmaal moeilijk experimenteel overdoen. Wat wel kan, is nauwkeurig wetenschappelijk onderzoek van de levende natuur. Dat is dan ook intensief gebeurd en heeft een schat aan gegevens opgeleverd, vooral op het gebied van de celbiologie, de biochemie en de moleculaire genetica. Het is merkwaardig dat deze kennis nauwelijks een rol speelt in het huidige debat.
Vanwege de complexiteit van de materie is het begrijpelijk dat dit bij de meeste fans buiten hun gezichtsveld valt. Maar ik heb de indruk dat ook biologen en geologen die zich opwerpen als verdedigers van de evolutie, inclusief het ontstaan van het leven, zich van die kennis weinig bewust zijn. De complexiteit van cellen met hun vele verschillende structuren en processen, stelt het spontaan ontstaan van het leven in een uiterst onwaarschijnlijk daglicht.
Als je stelt dat al die hoogst ingewikkelde processen en structuren door blind toeval zijn ontstaan, ben je wel hoogst onwetenschappelijk aan het dagdromen. Zelfs als je daar honderden miljoenen jaren voor uittrekt, los je dit niet logisch op. Cellen kunnen slechts het product zijn van een hoge en voor mensen nauwelijks te bevatten intelligentie.
Breek ik hiermee een lans voor het idee van Intelligent Design? Dat zou kunnen, al vinden veel wetenschappers dit een onwetenschappelijke conclusie. Ik vraag me altijd af waarom het maar raak fantaseren over allerlei mogelijkheden ter verklaring wetenschappelijker is dan de voor de hand liggende conclusie van een hogere intelligentie.
Voor mij als gelovig christen heeft die superieure intelligentie een naam, namelijk de God van Israël, Die Zich in de Bijbel aan ons openbaart als de Schepper van hemel en aarde. In de Bijbel leert Hij ons dat we ons als mensen niet kunnen beroepen op onze onwetendheid als het gaat over Hem als Schepper (Rom. 1:19-20). En dan te bedenken dat men toen nog niets wist van cellen.
Volgelingen
Bovendien schrijft Paulus: „Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God; want er is geschreven: Hij vat de wijzen in hun arglistigheid; en wederom: De Heere kent de overleggingen der wijzen, dat zij ijdel zijn” (1 Kor. 3:19-20). Dit slaat weliswaar niet in de eerste plaats op natuurwetenschappelijke kennis, maar het zegt wel iets over de mens zonder God.
En wat Darwin betreft, hij heeft niet beweerd dat cellen zijn ontstaan door toeval. Dat zijn veronderstellingen van latere volgelingen. Zijn bekende stelling over ”The survival of the fittest” verklaart hoe soorten zich aanpassen aan veranderde omstandigheden, maar of hierdoor nieuwe soorten ontstaan, is de vraag.
En als zulke aanpassingen plaatsvinden, lagen deze mogelijkheden meestal al gereed in het genetische materiaal. In de mogelijkheid om als soort te overleven in veranderende omstandigheden was dus reeds voorzien. Geweldig toch, zo’n Schepper!
De auteur is werkzaam geweest als biologisch onderzoeker en leraar biologie en godsdienst.