Achter de gepropageerde gedachte dat de Bijbel meerdere visies geeft over een onderwerp, zit een bepaalde visie op de Schrift zelf. Zien we de Schrift als een veelheid van elkaar eventueel tegensprekende getuigenissen van mensen over God, of zien we de Schrift als het Woord van God in woorden van mensen die door God in Zijn dienst werden gesteld om Zijn wil te vertolken? Die laatste visie sluit aan bij het zelfgetuigenis van de Schrift en was tot aan de verlichting algemeen aanvaard binnen de kerken.
Sinds de verlichting verlieten mensen in toenemende mate de kerk omdat zij het Bijbelse getuigenis niet konden aanvaarden. De historiciteit van het Bijbelse getuigenis nam daarbij een belangrijke plaats in. In onze tijd komt daar de Bijbelse ethiek bij, met name met betrekking tot huwelijk en seksualiteit.
Binnen de kerken zelf zien we twee houdingen: allereerst de lofwaardige en navolgenswaardige houding vast te houden aan het primaat van het Schriftgetuigenis. De tweede houding is dat de concrete inhoud van het Bijbelse getuigenis wordt gerelativeerd. Het afwijzen van delen van het Bijbelse getuigenis wordt verenigbaar geacht met het levende geloof in God. In onze tijd is de visie heel prominent dat God, als Hij bestaat, wel de menselijke autonomie moet respecteren en geen ethisch dwingende eisen mag stellen.
Voortgang
Geeft de Schrift echter op alle gebieden metterdaad één geluid? De eeuwen door hebben Bijbellezers geconstateerd dat de ethiek van het Oude Testament niet in alle opzichten overeenstemt met die van het Nieuwe Testament. Augustinus heeft -met anderen voor en na hem- gewezen op de notie van de voortgang in de openbaring. Het oude Israël was aan de spijswetten gebonden. Onder de nieuwe bedeling zijn ze hooguit een optie voor Messiasbelijdende Joden. Polygamie was onder de oude bedeling toegestaan, maar de schaduwen ervan werden onderstreept.
Onder de nieuwe bedeling wordt teruggegrepen op de scheppingsorde. Dat geldt bijvoorbeeld voor de echtscheidingspraktijk. Die wordt veel meer ingeperkt dan onder de oude bedeling het geval was. En nergens biedt het Nieuwe Testament ruimte voor geweld of dwang in het kader van het verbreiden van de boodschap van het Evangelie.
Wie de Schrift als het Woord van God leest, zal hem lezen in de overtuiging dat de Schrift één boodschap heeft. Bij het op het spoor komen van die boodschap zal hij verdisconteren dat er sprake is van voortgang in de openbaring. Hij zal echter niet boven het Nieuwe Testament als uiteindelijke openbaring van God willen gaan staan.
Slavernij
Wanneer wordt gesproken over homoseksualiteit wordt wel eens verwezen naar slavernij. Daarover hebben orthodoxe christenen in het verleden toch ook verschillend gedacht? De kwestie van slavernij kan echter niet op één lijn met die van het huwelijk en seksualiteit worden gezet. Slavernij werd onder de oude bedeling getolereerd, al kon volgens de wetten van Mozes een Israëliet na zeven jaar slaaf te zijn geweest vrijkomen, en vervolgens was er de mogelijkheid om in het jubeljaar in vrijheid te worden gesteld. De apostelen hebben kennelijk de slavernij als gegeven aanvaard, maar blijkens de brief van Paulus aan Filemon dit instituut -in de lijn van de mozaïsche wetgeving- van binnenuit ondergraven.
Als het gaat om slavernij, is het van belang dat in de antieke samenleving andere zaken -bijvoorbeeld de verplichting een aantal jaren bij dezelfde zaak te werken- als een vorm van slavernij werden gezien dan tegenwoordig het geval is. Bij de beoordeling van het verschijnsel slavernij moeten we daarom ook de historische en economische context betrekken.
Samengevat: er zijn geen meerdere Bijbelse visies op slavernij, maar het Bijbelse getuigenis daarover is enigszins diffuus.
Scheppingsorde
Een belangrijk uitgangspunt in ethische zaken moet de scheppingsorde zijn. Dan is duidelijk dat slavernij geen scheppingsorde is. Heel anders ligt het met het huwelijk tussen één man en één vrouw. Dat is heel duidelijk in de schepping gefundeerd. In samenhang daarmee wordt in zowel het Oude als het Nieuwe Testament homoseksueel gedrag afgewezen, evenals bijvoorbeeld afgodendienst. Ook ten aanzien van dat laatste verschijnsel doet de Schrift geen concessies, hoe sympathiek aanhangers van afgodendienst ook mogen zijn. De afwijzing van homoseksualiteit in de Bijbel is nog strikter dan de afwijzing van polygamie.
Wie stelt dat een gemeentelid dat „in liefde en trouw” een homoseksuele relatie aangaat niet laakbaar handelt, neemt het moderne levensgevoel als uitgangspunt en niet het concrete getuigenis van God. Dat laat geen tweeërlei uitleg toe. Hooguit kan men zich van het eenduidige getuigenis distantiëren.
Wie de homoseksueel gerichte mens hulp wil bieden, moet uitgaan van het Bijbelse getuigenis. Dat laat geen enkele ruimte voor homoseksueel gedrag in welke vorm dan ook. Wel geldt dat wie zijn zonde belijdt en laat, barmhartigheid zal geschieden. Bij God is vergeving en ook kracht om tegen de zonden te strijden. Een christen heeft vergeving van zonden, maar is niet volledig verlost van zijn zondige aard. Juist als die aard op seksueel terrein strijdig is met het Woord van God is dat diep ingrijpend. Dat mag echter nooit leiden tot relativering van het Bijbelse getuigenis.
De auteur is predikant van de hersteld hervormde gemeente te Waarder en docent Bijbelse theologie aan het Hersteld Hervormd Seminarium.