„Als gereformeerden is het onze plicht de Bijbel leesbaar te maken. Gebeurt dit niet, dan heeft de gereformeerde gezindte niet alleen geen wervingskracht, maar loopt zij zelfs de kans betrokken (doop)leden te verliezen aan leesbare, maar onbetrouwbare vertalingen van Gods Woord!” Foto RD, Sjaak Verboom.
De vraag welke Bijbelvertaling in de eredienst gebruikt moet worden, gaat niet alleen de Christelijke Gereformeerde Kerken (CGK) aan. Ook de andere kerkverbanden binnen de gereformeerde gezindte dienen zich deze vraag te stellen. In de meeste kerkgenootschappen is deze bezinning reeds op gang gebracht. In dit artikel wil ik de discussie over leesbaarheid en betrouwbaarheid in een theoretisch en een historisch kader plaatsen, waarbij ik ten slotte een actuele toespitsing maak.
De eerste vraag die zich opdringt, is die naar de relatie tussen leesbaarheid en betrouwbaarheid. Loopt een vertaling die zo begrijpelijk mogelijk wil zijn niet het gevaar afbreuk te doen aan de boodschap van de grondtekst? De SV is immers zo letterlijk mogelijk vertaald en dat is tenminste een betrouwbare vertaling!
Persoonlijk meen ik echter dat een minder letterlijke vertaling niet in een onbetrouwbare vertaling hoeft te resulteren. Sterker nog: een voluit letterlijke vertaling is onmogelijk. Wie de kanttekeningen bij de SV goed bestudeert, komt erachter dat de vertalers op veel plaatsen grammaticale constructies uit de grondtaal niet letterlijk vertaald hebben. Taalsystemen kunnen immers zeer van elkaar verschillen, wat het geval is bij het Hebreeuws en het Nederlands.
Zo staat er in Psalm 33:17 in de Hebreeuwse grondtekst: „Een leugen is het paard tot overwinning” (zie kanttekening 21). Zo zeggen wij dat niet. De SV heeft daarom: „Het paard feilt ter overwinning.”
Traditie
Een tweede argument voor een leesbare vertaling is de reformatorische traditie. Bekend is dat Luther met zijn Bijbelvertaling wilde aansluiten bij het doelpubliek. Ook de Straatsburgse reformator Martin Bucer was een voorstander van een vrijere vertaling. De reden hiervoor is frappant: volgens Bucer leidt een letterlijke vertaling gemakkelijk tot een verkeerde uitleg. Bucer is zich bewust van het gevaar dat een vertaler zijn eigen uitleg in de vertaling kan mengen, maar dat gevaar acht hij kleiner.
De Zürichse reformator Huldrych Zwingli viel Bucer op dit punt helemaal bij. De reformatorische traditie heeft ons dus het voorbeeld gegeven dat een leesbare vertaling geen onbetrouwbare vertaling hoeft te zijn.
De betrouwbaarheid van een vertaling wordt daarom mijns inziens in hoge mate bepaald door de opdrachtgever en vertaler(s) en niet door de vraag hoe letterlijk er vertaald is. Wordt de Bijbel vertaald door goed gereformeerde vertalers, dan moet er een betrouwbare vertaling kunnen ontstaan.
Dit is nu juist het probleem van de NBV. Behalve gereformeerden werkten daaraan namelijk ook vrijzinnige christenen, rooms-katholieken en joden mee. Alleen al het interconfessionele karakter van de NBV heeft geresulteerd in een vertaling die op een aantal punten onbetrouwbaar is. Daarbij valt te denken aan het loslaten van de eenheid tussen OT en NT, een acceptatie van polytheïsme (veelgodendom) in de vertaling van sommige teksten in het OT en een rooms-katholieke uitleg van het eerste en het tweede gebod. Bovendien worden in de voorrede op de NBV moderne wetenschappelijke inzichten gepresenteerd die een gelovig aanvaarden van de Bijbel als Woord van God in de weg staan.
Herziene Statenvertaling
De synode van de CGK heeft er mijns inziens dan ook goed aan gedaan om de NBV ”met klem” te ontraden. Hier scheiden de wegen van De Klerk en mij, hoezeer ik zijn pleidooi voor leesbaarheid bijval. Een vertaling moet inderdaad leesbaar zijn, maar ook betrouwbaar.
Ik adviseer de kerken van de gereformeerde gezindte daarom de Herziene Statenvertaling (HSV) ”met klem” aan te raden voor de eredienst. Deze herziening is het product van gereformeerden van onvervalste snit en daarom mijns inziens op dit moment de meest betrouwbare vertaling.
Het is waar dat de HSV van verschillende zijden is bekritiseerd. Zij zou verder gaan dan een herziening en soms meer op een nieuwe vertaling lijken. Iedereen die ervaring heeft met het vertalen van de Bijbel zal echter erkennen dat het uiterst moeilijk is om de grens te bepalen: tot hoever mag een herziening gaan?
Mij heeft de inhoud van veel kritiek niet overtuigd. Zij wekt de indruk dat de Statenvertaling heilig zou zijn, wat echter een roomse gedachte is. Aanpassing ten behoeve van de leesbaarheid -zoals in de HSV gebeurt- is geen afkeurenswaardige, maar een legitieme zaak.
De Klerk wijst erop dat zelfs betrokken christelijke jongeren én ouderen de SV en de NBG ’51 moeilijk vinden. Als gereformeerden is het onze plicht de Bijbel leesbaar te maken. Gebeurt dit niet, dan heeft de gereformeerde gezindte niet alleen geen wervingskracht, maar loopt zij zelfs de kans betrokken (doop)leden te verliezen aan leesbare, maar onbetrouwbare vertalingen van Gods Woord! Vurig is daarom te hopen dat de gereformeerde gezindte in haar volle breedte de HSV (alsnog) zal omarmen.
De auteur volgt de master Bijbelvertalen aan de Vrije Universiteit en is lid van de Gereformeerde Gemeenten in Nederland.
Zie ook:
”Bijbelvertaling moet ook leesbaar zijn”