Minister Plasterk heeft naar aanleiding van de ”Visienota Homoseksualiteit” van de Vereniging Gereformeerd Schoolonderwijs (VGS) een brief naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin hij stelt dat reformatorische scholen geen homoseksuele leraren mogen weigeren. De cruciale vraag is of de brief in de ministerraad aan de orde is geweest voordat deze naar de Kamer is gestuurd en of de inhoud van die brief moet worden aangemerkt als het standpunt van het kabinet. Daarover zal eerst duidelijkheid moeten komen.
In officiële stukken richting de Kamer spreekt het kabinet met één mond. Als de bewuste brief niet in de ministerraad is behandeld, dan moet de inhoud toch als het standpunt van het kabinet worden aangemerkt, zolang het van de inhoud geen afstand heeft genomen.
Van der Molen en Meijering zijn teleurgesteld dat de CDA-fractie in de Tweede Kamer nog niets heeft laten horen over deze aangelegenheid. Ik teken hierbij aan dat de fractie van de ChristenUnie -voor zover mij bekend- ook nog niet heeft gereageerd op de ontoelaatbare escapades van de minister.
Kamerlid Van Dijk van de CDA-fractie heeft opgemerkt dat de Tweede Kamer eerst nog de kritiek van de Europese Commissie op de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) aan de orde moet stellen, alvorens de brief van minister Plasterk in behandeling te nemen.
Van de zijde van het CNV is kritiek geuit op het artikel van Van der Molen en Meijering. Zij zouden de vrijheid van onderwijs boven het discriminatieverbod hebben gesteld. Reformatorische scholen zouden geen homoseksuele leraren mogen weigeren.
Enkele feit
In dit verband wijs ik op artikel 5 lid 2c van de AWGB. Het eerste lid van artikel 5 laat onverlet de vrijheid van een instelling van bijzonder onderwijs om eisen te stellen over de vervulling van een functie die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor de verwezenlijking van haar grondslag. Deze eisen mogen echter niet leiden tot onderscheid op grond van het enkele feit van politieke gezindheid, ras, geslacht, nationaliteit, hetero- of homoseksuele gerichtheid of burgerlijke staat.
Nu bestaat er verschil tussen homoseksuele gerichtheid en homoseksuele praxis. Het bestuur van een reformatorische school zal een leraar weigeren te benoemen of ontslaan, die zijn homoseksuele gerichtheid daadwerkelijk in de praktijk brengt. Een dergelijke leraar zal in het algemeen niet in staat zijn de doelstelling van de school op geloofwaardige wijze te vertolken.
En de school kan het zich tegenover ouders en leerlingen niet veroorloven om een dergelijke leraar aan te stellen of te handhaven, die een levenspraktijk voert in strijd met grondslag en doelstelling van de school. Bij de weigering tot aanstelling c.q. bij ontslag van een leraar is niet slechts diens homoseksuele gerichtheid, maar ook diens homoseksuele praxis in het geding.
Het zou overigens beschamend zijn als onder verantwoordelijkheid van een kabinet waarin vertegenwoordigers van twee christelijke partijen zitting hebben, de onderwijsvrijheid nog verder om zeep wordt geholpen.
De auteur is deskundige op het gebied van het staatsrecht.