Dat wordt heel duidelijk als men zich in de positie van de verschillende partijen in een geschil verplaatst. Als de een in het gelijk gesteld wordt op grond van zijn vrijheid van godsdienst, wordt de ander misschien wel geschaad in zijn vrijheid van meningsuiting.
Dat blijkt dezer dagen bijvoorbeeld in het oordeel over de aanklacht van de SGP-jongeren tegen Madonna. Het openbaar ministerie besluit dat de popster niet wordt vervolgd voor godslastering, zoals de SGP-jongeren hadden gevraagd. Volgens het OM uitte zij haar mening toen ze in september 2006 aan een kruis hing tijdens het zingen van het nummer ”Live to Tell”. De vraag is waar het OM het zwaartepunt legt: bij de godslastering en belediging, of bij de vrijheid van meningsuiting.
Een dergelijk dilemma wijst Castermans aan in de Leeuwarder kwestie rond mevrouw Eringa, die weigerde een zogenaamd homohuwelijk te sluiten. Door Eringa in het gelijk te stellen, kiest de rechter voor de vrijheid van godsdienst, maar het homopaar wordt aangetast in de gelijkstelling naar geaardheid. De voorbeelden zijn gemakkelijk uit te breiden. Maar één ding hebben ze gemeen: ze gaan altijd over ethische kwesties.
Uitzonderingen
Het is toch wel frappant dat alleen bij ethische kwesties deze botsing van grondrechten plaatsvindt, en ook dat juist bij fundamentele ethische thema’s uitzonderingen in wet en regelgeving worden opgenomen. Vaak klagen we er in de gereformeerde gezindte over dat we slechts bij de gratie van de uitzonderingen in de wet kunnen vasthouden aan onze beginselen.
Toch is dat wel bijzonder, en iets om nog dankbaar voor te zijn. Blijkbaar is de wetgever aanspreekbaar op de verschillende grondrechten op het moment dat wetgeving wordt geformuleerd.
Ook dat is te concluderen uit de rede van Castermans. Hij legt immers uit dat er in feite twee manieren zijn waarop de wetgever het gelijkheidsbeginsel vorm kan geven. De eerste is zuiver procedureel en formeel: gelijke gevallen moeten gewoonweg gelijk behandeld worden. Er zit dan geen enkele ethische rek meer in. De tweede mogelijkheid is om de wetgeving vanuit een grote wereldbeschouwing of vanuit idealen of gewenst gedrag te formuleren. De macht van het getal bepaalt dan de ethiek. Als dat het christendom zou zijn, dan zou onze gezindte daar blij mee zijn. Maar stel voor dat de democratie zou omslaan naar een zuiver humanistische vorm of naar de islamitische godsdienst, dan zou er weinig ruimte overblijven voor het christelijke gedachtegoed.
Tussenvorm
In Nederland is de wetgeving in feite een tussenvorm, door in formele en procedurele wetgevingstrajecten onder andere het christelijke gedachtegoed mee te laten wegen, en daar eventuele uitzonderingsbepalingen voor vast te stellen. Meestal gaat dat goed, maar soms maakt de overheid het zichzelf lastig. Zo ook in het voorbeeld dat Castermans benoemt, namelijk in de ruimte voor ambtenaren van de burgerlijke stand die geen homohuwelijk willen sluiten op grond van hun levensovertuiging.
Toenmalig staatssecretaris Cohen gaf ondubbelzinnig aan dat gemeenten naar oplossingen dienen te zoeken waardoor gewetensbezwaarde ambtenaren niet belast zouden worden met de voltrekking van zogenaamde homohuwelijken. Maar deze toezegging blijkt in de praktijk toch te vaag en wordt steeds opnieuw onder kritiek gesteld, omdat de belangen van twee groepen die zich beide beroepen op een grondrecht met elkaar botsen.
Bovendien zou de overheid hierin niet meer neutraal staan, want ook Castermans wijst er weer op dat er strenger zou kunnen worden gehandeld, als ervan uit wordt gegaan dat een ambtenaar in feite het verlengde van de wet is. Dan zou hij geen gewetensbezwaar kunnen hebben.
In het overigens heldere betoog is dit geen sterk argument van Castermans. Het kan toch niet zo zijn dat alle Nederlanders zich kunnen beroepen op gewetensbezwaar, behalve degenen die zich beschikbaar stellen voor de publieke zaak, namelijk het ambtenarencorps. Juist in een democratie waar ruimte is voor iedereen moet er ook ruimte zijn voor ambtenaren.
Hopelijk zal het nieuwe kabinet deze storende weeffout herstellen en formeel vastleggen dat ook een ambtenaar van de burgerlijke stand zich als persoon in zijn functie op grondrechten kan beroepen.
Bindmiddel
En dan is er nog iets. In zijn referaat komt Castermans met een oplossing voor het feit dat door de botsende grondrechten het criterium ”behoud van identiteit zolang anderen geen schade wordt berokkend” niet te hanteren valt. Hij kiest voor het bindmiddel respect. Maar dat is onvoldoende. Er is meer nodig dan alleen respect: een liefdevol hart, allereerst voor de Heere en voor Zijn geboden. Die zijn heilzaam voor de samenleving, en die moeten en mogen dan ook richtsnoer zijn voor de omgang van mensen onder elkaar.
De auteur is directeur van de Reformatorisch Maatschappelijke Unie (RMU).