Ds. Groenleer geeft in zijn artikel de lezer een blik achter die gevel. Zo vraagt hij zich tot drie keer toe af „hoe lang wij het nog kunnen verdragen” dat de gevonden eenheid tussen de GKV en de CGK telkens weer in twijfel wordt getrokken „door een deel van de kerken” (het behoudende deel, ACU). Bovendien voegt hij aan het slot van zijn artikel hieraan toe dat ditzelfde deel van de CGK in de praktijk zo functioneert „alsof de CGK de enige ware kerk is.”
Dwarsligger
Achter de vragen van ds. Groenleer schuilt een bepaalde gedachtelijn. Dat zit hem in dat woord ”verdragen”. Dat woord veronderstelt een bepaalde machtspositie. De ander is in staat om aan het verdragen een einde te maken. Het lijkt erop dat voor ds. Groenleer de grens van verdraagzaamheid ook in zicht komt. Dat ligt dan aan dat behoudende deel van de CGK. Zij zouden de dwarsligger zijn als het gaat om de oecumene. Maar „hoe lang verdragen we dat nog?”
Wil ds. Groenleer daarmee zeggen: als de getalsmatige verhouding tussen de delen van de kerk anders komt te liggen dan moeten er maar eens andere besluiten vallen? Het artikel lezende en herlezende bekroop mij het gevoel dat voor ds. Groenleer dat behoudende deel van de kerken een lastig blok aan het been is. Zeker als het gaat om de kleine oecumene.
Ik heb hem echter niet gehoord over de contacten met de Hersteld Hervormde Kerk. Want daar staat het behoudende deel sympathiek tegenover. Nu is op de synode vanuit deputaten eenheid gezegd dat de HHK terughoudend wil zijn ten opzichte van kanselruil in verband met onder andere de liturgische verschillen die er op diverse plaatsen zijn tussen de HHK en de CGK. Die liturgische verschillen zijn er niet met het behoudende deel. Realiseert ds. Groenleer zich dat ’zijn’ deel van de kerken daardoor belemmeringen opwerpt voor de contacten met bijvoorbeeld de HHK? Gezien de wijze van hun kerk-zijn staan zij ook vormen van oecumene in de weg. Dat is ook een gegeven.
Verbondsbeschouwing
Het lijkt er echter op dat daar geen oog voor is. Wel vraagt ds. Groenleer zich af hoe lang de opstelling van een deel van de CGK ten aanzien van de oecumene met de GKV nog te verdragen valt. Met die ”(on)verdraagzaamheid” heb ik nu veel moeite. Daarmee wordt gedaan alsof dat deel van ds. Groenleer de ware CGK is. Dat is voor mij haast niet te (ver)dragen. Juist omdat het andere (behoudende) deel historisch gezien de oudste papieren heeft binnen de CGK.
Denk alleen maar aan de visie op de toe-eigening van het heil en de praktijk van de prediking. In 1953 kon in een kanselboodschap nog op synodaal niveau worden gezegd over bijvoorbeeld de verbondsbeschouwing: „Daarbij wordt uitgegaan van ons van nature midden in de dood liggen in een verbroken werkverbond om alzo de noodzakelijkheid en de rijke inhoud van het genadeverbond te leren verstaan. Zo blijft zalig worden een wonder en wordt de noodzakelijkheid der wedergeboorte door de Heilige Geest niet uit het oog verloren.” De kerken werden opgeroepen niet het uitgangspunt te nemen in Abraham, maar in Adam: wie Christus goed zal preken, moet beginnen van Adam te preken.
Onder andere die verbondsbeschouwing, maar ook de noodzaak van de wedergeboorte en alles wat te maken heeft met de toe-eigening van het heil maakt een deel van de kerken bezwaard als het gaat om de contacten met de GKV. Bezwaren die inderdaad ook binnenkerkelijk leven. Het aloude christelijk gereformeerde beginsel is daarmee in het geding. Denk aan de wezenlijke zaken die ds. J. H. Velema in zijn catechisatieboekje schreef over wat christelijk gereformeerd-zijn is.
Wanneer dan de dreigende vraag klinkt hoe lang dat nog te verdragen is, dan hoor ik daarin een groeiend stuk onverdraagzaamheid tegen hen die niets anders willen dan christelijk gereformeerd blijven. Dat baart mij zorgen.
De auteur is predikant van de christelijke gereformeerde kerk te Kerkwerve.